Alle geslaagden zijn geschikt; ho ho zegt Cie-Warries 1976 tussenadvies

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Ministeriële commissie in de knoop met zichzelf.

Tussenadvies aan staatssecretaris Ger Klein 27 februari 1976


Vooraf, bw

  • Een zwak tussenadviess. De commissie schrijft onvoldoende tijd voor diepgaande discussie te hebben gehad. En dat is te zien. De commissie verwerpt een paar ingewikklde selectie-varianten, maar oppert er zelf dan toch ook enkele. Dat schiet niet op.
  • De samenstelling van de commissie duidt op een vechtcommissie: vertegenwoordigers van het vo (neem ik aan), enkele selectiedeskundigen (Meuwese, Hazewinkel, Hofstee), verklaard tegenstander van loten prof. dr. K. Bakker, bioloog, uit Leiden.
  • Dit tussenrapport is historisch toch wel van enig belang. Het eindrapport, een jaar later, en na een vragenlijstonderzoek onder leerlingen van twee scholen, wijkt namelijk markant af van dit tussenrapport (ook van dat rapport zal ik een transcriptie maken). Verder is van belang wat er juist niet in staat: Hofstee nam een principieel minderheidsstandpunt in, dat is toegelicht in een artikel over het tussenadvies van de Commissie Warries in Folia Civitatis zie deze blog. Hofstee had namelijk al wat langer nagedacht over selectie voor universitair onderwijs, zoals in zijn oratie in 1969.
  • De haastige wijze van werken heeft de Commissie verleid tot malle uitspraken zoals de volgende: “De commissie wil benadrukken, dat bij iedere vorm van selectie een herkansing dient te worden geboden aan diegenen, die bij de selectie zijn afgevallen.” Als we dat als beginsel in heel het onderwijs zouden volgen, dan kunnen we nog wat meemaken. Nou ja.
  • Ik geef hier een volledige transcriptie van de tekst van het tussenadvies. Het is immers een stuk dat vrijwel onvindbaar is, ik maak het vindbaar.


Adviescommissie Toelatingscriteria W.O., voorzitter prof. dr. E. Warries. Eerste advies 27 februari 1976, 8 bladzijden met een aanbiedingsbladzijde. Niet gedrukt.

Onderwerp: Aanbieding advies. Aan dr. G. Klein, datum, 27 februari 1976

De Adviescommissie toelatingscriteria w.o. biedt hierbij haar eerste advies aan, daarbij verwijzend naar Uw brief van 4 november 1975, DGWO/OWWO/AS/2/274.717-I. In dit advies doet de commissie voorstellen, welke naar haar mening tegemoet komen aan enige algemeen gevoelde bezwaren tegen de werking en gevolgen van het thane toegepaste systeem van gewogen loting.

Mocht U over de inhoud van het advies nader overleg met de commissie wensen, dan is zij daartoe gaarne bereid.

De commissie is als volgt samengestold: prof.dr. E. Warries, voorzitter; prof.dr. K. Bakker; dr. A. Bolhuis; prof.dr. A. Hazewinkel; prof.dr. W.K.B. Hofstee; dr. H.H. Kuipers; prof.dr. W.A.Th. Meuwese; dr. A.C. de Roon; P.M.L. Trommar; drs. J.M.C.M. van Schoten, secretaris.

Met dit eerste advies voldoet de commissie aan de wens van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen voorstellen te doen inzake de voor de studiejaren 1977-1978 en 1978-1979 toe te passen selectiecriteria.

Aan de opdracht van de staatssecretaris ligt de gedachte ten grondslag, dat de geldigheidsduur van de huidige Machtigingswet inschrijving studenten zal worden verlengd. In het advies is derhalve in belangrijke mate aansluiting gezocht bij de in deze wet genoemde selectieprocedures, welke van toepassing zijn voor de studiejaren 1975-1976 en 1976-1977.

De instelling van de commissie vindt zijn direkte aanleiding in een tijdens de behandeling van het wetsontwerp 12929 (wetsontwerp tot verlenging en wijziging van de Machtigings-wet inschrijving studenten in de Tweede Kamer der Staten-Generaal (op 13, 18 en 19 maart 1975) aangenomen motie, ingediend door mevr. Ginjaar-Maas (V.V.D.).

De tekst van deze motie luidt als volgt:

  • De Kamer, gehoord de beraadslaging over de Machtigingswet inschrijving studenten;
    overwegende, dat reeds in 1972 door de toenmalige bewindsman toegezegd is een beter selectiesysteem (dan een toelating op basis van rechtstreekse toelating en loting) te ontwerpen;
    constaterende, dat dit betere selectiesysteem nog steeds niet ontworpen is;
    van oordeel, dat het dringend gewenst is dat op korte termijn een voor alle betrokkenen aanvaardbaar selectiesysteem ontworpen wordt;
    dringt er bij de Regering op aan, uiterlijk binnen twee jaar een selectiesysteem aan de Kamer voor te leggen waarmee de toelating tot de instellingen van het wetenschappelijk onderwijs op bevredigende wijze geregeld kan worden en gaat over tot de orde van de dag.

Teneinde aan het verlangen van de bewindsman tegemoet te komen voor 1 maart 1976 een advies voor de korte termijn te formuleren heeft de commissie gedurende de haar ter beschikking staande tijd vele malen intensief vergaderd.

Nochtans is deze tijd te kort gebleken om de op gang gekomen fundamentele discussie inzake het selectievraagstuk voor numerus fixus-studierichtingen bevredigend af te ronden.

Onder de druk van deze omstandigheden heeft de commissie gemeend met haar advies direkt te moeten aansluiten bij het huidige stelsel van gewogen loting, ondanks de bezwaren welke er aan dit systeem als geheel kleven. De in dit advies gedane voorstellen dienen dan ook bezien te worden in het kader van een tussentijdse oplossing van een praktisch probleem.

Verder is de commissie met de staatssecretaris van mening dat de voor te stellen criteria niet te zeer van de thans geldende mogen afwijken, met het oog op die leerlingen, die thans reeds hun vakkenpakket hebben gekozen dan wel dit moeten doen in 1976. Alvorens tot nadere formulering van het advies over te gaan wil de commissie met nadruk de volgende punten naar voren brengen:

  1. het ontwikkelen van een voor alle betrokkenen aanvaardbaar selectiesysteem, waarmee de toelating tot de instellingen van wetenschappelijk onderwijs op bevredigende wijze geregeld kan worden, zoals in de motie Ginjaar-Maas wordt gevraagd, is gezien de discrepantie die er bestaat tussen de vraag naar en het aanbod van onderwijs naar haar mening ten enenmale onmogelijk;
  2. het selectie-vraagstuk is niet slechts een technisch vraagstuk, dat door voortgezette studie tot een oplossing kan worden gebracht. Het gaat hier om een probleem, waarover uiteindelijk op politiek niveau een beslissing genomen dient te worden.

paragraaf 2. Bezwaren teren de thans geldende selectieprocedures
In de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 4 november 1975, DGWO/OWW0/AS/2/274.717-I, wordt de commissie verzocht na te gaan in hoeverre tegemoet gekomen kan worden aan bepaalde bezwaren, die tegen de thans geldende selectiecriteria bestaan. (Voor een helder en beknopt overzicht van de werking van het huidige systeem van gewogen loting zij verwezen naar het jaarverslag van de Centrale Commissie Aanmelding en Plaatsing a.s. eerstejaarsstudenten, studiejaar 1975-1976).

In het bijzonder noemt de staatssecretaris de volgende bezwaren:

  1. de onzekerheid ten aanzien van de toelating tot numerus fixus-studierichtingen, gezien de mogelijkheid van meermalen herhaalde uitloting;
  2. onvoldoende mogelijkheid tot persoonlijke beïnvloeding van de uitslag der selectie.

De commissie erkent de geldigheid van deze bezwaren en wil er gaarne nader op ingaan.

Teneinde aan bovennoemde bezwaren tegemoet te komen gaan de gedachten van de staatssecretaris, blijkens de meergenoemde brief uit naar een systeem van loting, waaraan betrokkenen slechts éénmaal zullen kunnen deelnemen en via welk een groot contingent der beschikbare plaatsen -bijvoorbeeld 80% – zou dienen te worden toegewezen.

De overige plaatsen -20%- zouden dan dienen te worden toegewezen via een voor elke numerus fixus-studierichting op advies van de betrokken secties van de Academische Raad vast te stellen landelijke toets, waaraan na uitloting en bij herhaling zou kunnen worden deelgenomen.

De commissie wil benadrukken, dat bij iedere vorm van selectie een herkansing dient te worden geboden aan diegenen, die bij de selectie zijn afgevallen. Een herkansing via een landelijke toets (gecombineerd met een eenmalige deelname aan de loting) wordt door de commissie echter ontraden. Een dergelijke toets zou naar haar mening te sterk het karakter dragen van een vergelijkend toelatings-examen. Hieraan acht de commissie verscheidene bezwaren verbonden.

Een vergelijkend toelatingsexamen houdt een herhaalde selectie in tussen degenen, die reeds in het bezit zijn van een vereist diploma. Voorts heeft de mogelijkheid tot herhaalde deelname een cumulatief effect, ieder jaar zullen meer gegadigden in aanmerking wensen te komen voor een (relatief) kleiner aantal beschikbare plaatsen. Door dit cumulatieve effect worden de kansen van betrokkenen steeds kleiner. Om alsnog voor een plaats in aanmerking te komen dient een steeds grotere prestatie geleverd te worden. Een gevolg hiervan is weer, dat uitgeloten met een laag gemiddeld eindexamencijfer hierdoor in feite een minimale dan wel geen kans op toelating krijgen.

Tenslotte komt het de commissie voor dat de instelling van een dergelijke toets op korte termijn moeilijk te realiseren valt.

De commissie is van mening dat het voorstel van de staatssecretaris tot invoering van een landelijke toets onlosmakelijk verbonden is aan de voorgestelde eenmalige deelname aan de loting. Daar de commissie de instelling van een landelijke toets minder wenselijk acht, betekent dit dat zij tevens niet kan meegaan met het voorstel tot eenmalige deelname aan de lotingsprocedure.

De commissie heeft zich intensief beraden over de nog resterende mogelijkheden aan eerder genoemde bezwaren tegemoet te komen. In het volgende zal hier nader op ingegaan worden.

Het vergroten van de zekerheid.
Het probleem van de onzekerheid ten aanzien van de toelating tot numerus fixus studierichtingen kent twee aspecten. In de eerste plaats weten uitgelote (a.s.) studenten niet of zij de volgende of de daaropvolgende keer wel zullen inloten. In de tweede plaats wordt het kiezen van een verstandige strategie bemoeilijkt door onbekendheid met het kanspercentage van de lotingscategorie waarbij zij zijn ingedeeld. Het eerst genoemde deelprobleem zou ondervangen kunnen worden door het garanderen van rechtstreekse toelating na een aantal malen uitloting. De commissie acht dit geen aanvaardbare oplossing. Het bij voorrang plaatsen van uitgeloten zal naar verwachting sterker dan nu het geval is tot een “stuwmeer” van gegadigden leiden.

Voorts kan men denken aan het geven van een verhoogde kans bij een herhaalde deelname aan de loting. Dit alternatief is door de commissie diepgaand bestudeerd. Om werkelijk van betekenis te kunnen zijn en tevens doorzichtig en uitvoerbaar, zou deze verhoogde kans moeten inhouden, dat de uitgeloten bij de volgende loting een klasse hoger worden ingedeeld. Bestudering van de huidige gegevens over uitloting leidt dan echter onvermijdelijk tot de conclusie, dat ook deze methode een onaanvaardbare vergroting van het stuwmeer-effect tot gevolg heeft.

Het geven van een reële verhoogde kans aan uitgeloten van vorige jaren ligt naar de mening van de commissie dan ook niet binnen de mogelijkheden.

Tenslotte zou men het aantal malen uitloten kunnen laten meewegen ale onafhankelijke wegingsfactor bij de toepassing van de “hardheidsclausule”.

Het gewicht toekennen aan het aantal malen uitgeloot zijn binnen de toepassing van de hardheidsclausule zou haars inziens leiden tot een oneigenlijk gebruik van deze clausule, welke primair is bedoeld voor degenen wier uitloting zulke onoverkomelijke bezwaren met zich medebrengt, dat uitsluiting van een andere gegadigde verantwoord is.

De commissie moet daarom ook dit alternatief van de hand wijzen.

Met betrekking tot het tweede deelprobleem wil de commissie het volgende opmerken.

De keuze van een goede strategie wordt bepaald door het tegen elkaar afwegen van de hoogte van de te verwachten inlotingskans en de andere studie- of werkmogelijkheden.

In de huidige situatie kan de gegadigde wel weten in welke categorie hij aan de loting zal moeten deelnemen, niet echter welk percentage inlotingskans hieruit uiteindelijk zal resulteren.

De commissie beveelt daarom nadrukkelijk aan om de inlotingskans die een uitgeloot student feitelijk gehad heeft aan hem of haar bekend te maken. Op grond van dit gegeven zal de kandidaat dan beter in staat zijn te bepalen wat hij in de toekomst zal gaan doen.

De mogelijkheid tot persoonlijke beïnvloeding.
Wat betreft de mogelijkheid tot persoonlijke beïnvloeding van de uitslag van de selectie heeft de commissie verschillende mogelijke verbeteringen overwogen.

In de eerste plaats is daarbij gedacht aan de invoering van een herhaald eindexamen v.w.o. in enigerlei vorm. In dit kader heeft de commissie o.m. de mogelijkheid bezien van de instelling op korte termijn van een herhaald centraal schriftelijk eindexamen. Zij is daarbij tot de conclusie gekomen dat, afgezien van de uitvoerbaarheid, een dergelijk herhaald examen een ontoelaatbare druk op de v.w.o.- scholen zou leggen. Een extra belasting van het lerarencorps zou ten koste gaan van die leerlingen, die geen eindexamen doen.

Tevens heeft de commissie de instelling van een herhaald eindexamen in bijvoorbeeld twee vakken uitvoerig besproken. Daarbij zijn haar gedachten uitgegaan naar een zogenaamd verlengd examen dan wel naar een examen na een jaar. De eerste mogelijkheid acht de commissie een voor het v.w.o. aanvaardbare oplossing, de tweede mogelijkheid acht zij in meerderheid echter minder waardevol.

De commissie acht het desalniettemin van het hoogste belang aan de kandidaten toch enigerlei mogelijkheid te geven om invloed uit te oefenen op de uitslag van de selectie. Er moeten mogelijkheden zijn het gevoel van machteloosheid te bestrijden, waarvan uitgelote studenten gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden. In dit verband betreurt de commissie het, dat het studeren in een z.g. uitwijkstudie een aangelegenheid is, waaraan door de uitgelote studenten vaak met weinig interesse en motivatie wordt deelgenomen.

Daarom wil zij de aandacht vragen voor de volgende aanbeveling:
Aan uitgelote studenten, die met succes na één studiejaar een propedeutisch examen in de studie van hun tweede of derde keuze hebben afgelegd dienen enigerlei faciliteiten te worden verleend met betrekking tot toelating tot de studie van hun eerste keuze.

De commissie adviseert daarom deze studenten bij herhaalde deelname aan de lotingsprocedure één categorie hoger in te delen.

De commissie wil vooropstellen, dat zij zich ten volle realiseert dat dit voorstel nog grondig zal moeten worden uitgewerkt en eventueel daaraan klevende praktische bezwaren moeten worden ondervangen. In het korte haar toegemeten tijdsbestek heeft de commissie nog geen gelegenheid tot een volledige uitwerking van het voorstel kunnen vinden.

Wel kunnen nu reeds een aantal mogelijke nadelen worden aangeduid. In de eerste plaats wordt een oneigenlijk gebruik gemaakt van de propedeutische opleiding in de studie van de tweede keuze.

Voorts is een extra toeloop te verwachten bij die studierichtingen waarvoor geen numerus fixus is ingesteld. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat tot uitbreiding van het aantal numerus fixus-studierichtingen zal moeten worden overgegaan.

Meer mensen dan thans het geval is zullen ten laste van het wetenschappelijk onderwijs komen, hetgeen wellicht budgettaire problemen oplevert.

Tenslotte kunnen zij, die na plaatsing in een hogere categorie, toch nog uitloten zich wellicht ernstig in hun belangen geschaad voelen.

De commissie is echter van mening, dat de voordelen van het voorstel ruimschoots opwegen tegen bovengenoemde mogelijke nadelen. Vooral kan op de volgende punten gewezen worden. Het moet als een groot voordeel voor de betrokken “parkeerstudie” worden beschouwd gemotiveerde studenten in de gelederen te hebben. Daar het effectief studeren hierdoor zal worden bevorderd, betekent dit een zinvoller besteding van de gelden die voor de “parkerende” student worden uitgetrokken.

Voorts kan de invoering van het voorstel leiden tot een hanteerbare operationalisering van het moeilijk meetbare begrip motivatie.

Vervolgens wordt een mogelijkheid tot zelfselectie geboden. Indien een student absoluut niet in staat is het propedeutisch examen in bijvoorbeeld de biologie te behalen, dan is te verwachten dat ook het propedeutisch examen in de geneeskunde grote moeilijkheden zal opleveren.

Daarnaast wordt de studie van tweede keuze, na het met succes afleggen van het propedeutisch examen, een veel serieuzer alternatief zodat een meer reële keuze mogelijk wordt. Wellicht komt hierdoor ook het eventueel opnieuw uitloten minder hard aan.

Tenslotte wordt in het huidige systeem waarde gehecht aan de hoogte van het behaalde gemiddelde eindexamencijfer. Een met succes afgelegd propedeutisch examen in een academische studie heeft wellicht een grotere voorspellende waarde voor het studiesucces in de studierichting van eerste keuze. Verwacht kan namleijke worden dat in veel gevallen betrokkenen zullen kiezen voor een aanverwante studierichting.

<br< mocht=”” bovengenoemde=”” aanbeveli-ng=”” worden=”” overgenomen=”” dan=”” wordt=”” naar=”” de=”” mening=”” van=”” commissie=”” een=”” zivolle=”” mogelijkheid=”” aan=”” uitgelote=”” studenten=”” geboden=”” hun=”” eigen=”” kansen=”” te=”” beïnvloeden.<p=””>
paragraaf 3. Voorstel tot direkte toelating van “de goede leerling”.
Na hierboven zo uitvoerig mogelijk te zijn ingegaan op de door de staatssecretaris geschetste bezwaren wil de grootst mogelijke meerderheid van de commissie op deze plaats gaarne als haar mening naar voren brengen dat degenen die in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs zeer goede resultaten hebben behaald rechtstreeks tot het wetenschappelijk onderwijs dienen te worden toegelaten. Daarbij gaan haar gedachten uit naar degenen die een gemiddeld eindexamencijfer van 8 dan wel hoger hebben behaald.</br<>

Uit de haar ter beschikking staande gegevens, welke zijn ontleend aan het reeds eerder genoemde jaarverslag van de Centrale Commissie Aanmelding en Plaatsing a.s. eerstejaarsstudenten, blijkt dat het hier slechts gaat om een groep gegadigden van een relatief kleine omvang. De direkte toelating van deze categorie heeft naar haar mening dan ook geen grote kwantitatieve gevolgen voor de inlotingskansen van de overige gegadigden.

Het voorstel tot direkte toelating van de genoemde categorie baseert de commissie enerzijds op de positieve correlatie welke bestaat tussen de behaalde eindexamenresultaten en de studieresultaten in het wetenschappelijk onderwijs, anderzijds acht zij het van belang dat rekening wordt gehouden met gebleken kwaliteitsverschillen in de v.w.o.-periode.

Daarbij kan voorts nog worden gewezen op het gunstige psychologische effect, dat een dergelijke maatregel ongetwijfeld op het v.w.o. zal hebben. De wetenschap dat een aantal hunner rechtstreeks zal worden toegelaten zal naar de mening van de commissie namelijk een stimulerende werking uitoefenen op de studieprestaties van de goede leerlingen. Daarnaast zal een dergelijke maatregel, naar de commissie verwacht, gunstig door de leraren ontvangen worden.

Ook zal deze maatregel volgens de commissie niet leiden tot de vermeende verschraling in het v.w.o., daar er in de eindexamenklassen overwegend examenvakken gedoceerd worden.

Uitgaande van het huidige systeem van gewogen loting zoals dit is vastgelegd in artikel 4, tweede lid, van de Machtigingswet inschrijving studenten, is de commissie zich ervan bewust dat de rechtstreekse toelating van de twee hoogste klassen een wijziging van de inlotingskansen van de overige lotingsklassen tot gevolg heeft.

Na uitvoerige discussie en intensieve bestudering van een groot aantal mogelijke modellen heeft zij daarbij voor de volgende verhoudingen gekozen, daarbij benadrukkend dat deze keuze bovenal bepaald is door het subjectieve idee van de commissie over wat rechtvaardige verhoudingen zijn:

categorie kleiner dan 8 maar groter dan of gelijk aan 7,5 : 2,4
categorie kleiner dan 7,5 maar groter dan of gelijk aan 7 : 1,6
categorie kleiner dan 7 maar groter dan of gelijk aan 6,5 : 1,2
categorie kleiner dan 6,5 : 1

paragraaf 4. Verdere aanbevelingen.
Hoewel liggend buiten de strikte opdracht aan de commissie wil zij met betrekking tot de numerus fixus-problematiek in het algemeen gaarne nog enkele opmerkingen maken c.q. aanbevelingen doen.

In de eerste plaats wil de commissie de aandacht vestigen op het feit dat de a.s. studenten met betrekking tot hun (eerste en tweede) studiekeuze in grote onzekerheid verkeren daar de numeri fixi eerst uiterlijk voor 1 juni dienen te worden vastgesteld.

De commissie zou daarom de staatssecretaris willen verzoeken na te gaan op welke wijze de huidige adviesprocedure eerder kan worden afgerond, zodat de a.s. studenten tijdiger geïnformeerd kunnen worden voor welke studierichtingen er een numerus fixus zal worden ingesteld.

In de tweede plaats acht de commissie het van belang dat bezien wordt in hoeverre het mogelijk is hij de vaststelling van de grootte van een numerus fixus een zekere marge van bijvoorbeeld enige procenten aan te houden. Dit met het oog op het, gezien de ervaringen in het verleden, te verwachten aantal terugtrekkingen en de opvulling van de aldus vrijgekomen plaatsen, waardoor het niet altijd mogelijk is exact het fixusgetal te plaatsen.

de derde plaats verdient het naar de mening van de commissie overweging degenen die op grond van de selectiecriteria voor een plaats in aanmerking komen, doch in het bezit zijn van een zogenaamd deficiënt vakkenpakket, eerst dan tot de betreffende numerus fixus-studierichting toe te laten nadat deze deficiëntie door hen is aangevuld. Hierbij gaan de gedachten van de commissie vooral uit naar degenen voor wie de aanvulling van deze deficiëntie een jaar zou vergen.

Tenslotte acht de commissie het gewenst dat uiterlijk begin augustus bekend is of men wel of niet is geplaatst. Thans verneemt een groot aantal studenten pas eind september dat zij zijn geplaatst. Dit is mede het gevolg van de omstandigheid dat eerst medio september de uitslagen van de herexamens bekend worden. De commissie acht dit een ongelukkige situatie die haars inziens kan leiden tot het niet volledig bezetten van alle beschikbare plaatsen.

Het verdient aanbeveling dit te voorkomen of althans zoveel mogelijk tegen te gaan door degenen die niet voor 1 augustus examenbevoegd zijn, althans wat de numerus fixus-studierichtingen betreft, voor plaatsing voor het komende studiejaar uit te sluiten.

Voor degenen die na 1 augustus de examenbevoegdheid verwerven en op grond van de selectiecriteria in aanmerking komnen voor een plaats kan dan een plaats worden gereserveerd voor het komende studiejaar.

One thought on “Alle geslaagden zijn geschikt; ho ho zegt Cie-Warries 1976 tussenadvies

  1. Pingback: Alle geslaagden zijn geschikt; sleutelpublicatie 70er jaren: Warries | Fair schooling & assessment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s