Alle geslaagden zijn geschikt; sleutelpublicatie 70er jaren: Warries

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Een grondig werkende commissie

Eindadvies


Vooraf, bw

  • Dit is toch wel een indrukwekkend compleet advies over de lastige vraagstukken die een numerus fixus in de Nederlandse context met zich meebrengt. Een scherp contrast met de oppervlakkigheid van adviezen van de werkgroep-selectie (Wiegersma, De Groot, De Moor) enkele jaren eerder uitgebracht aan minister De Brauw.
    Nu ik het weer eens helemaal gelezen heb dringen zich vragen op als 1) Wat heeft de werkgroep-selectie bezield om ruim een jaar later nog eens zijn advies uit 1973 te herhalen, dit keer op verzoek van minister Pais, zonder de argumenten van Warries c.s. te bespreken, en 2) Waarom heeft Pieter Drenth in 1997 de opdracht aan zijn commissie niet gewoon teruggegeven aan minister Ritzen, met meezenden van dit rapport van de commissie-Warries?

    De commissie heeft een sterke afvaardiging van onderwijsonderzoekers, en daar reken ik Hofstee ook bij: Hazewinkel, Meuwese, Warries. De afvaardiging uit het v.o. is mij niet bekend. Prof. dr. K. Bakker, bioloog te Leiden, is de tegenstander van loting die dat Nederland ook heeft laten weten via tal van kanalen, de belangrijkste daarvan is wel het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Ik had de eer zijn kop van jut te zijn. Hoe dat ook zij, het zullen pittige discussies zijn geweest in die commissie. Het advies bevat niets waar ik blijf haken en waar ik in dit vooraf over zou moeten spreken. Eén ding toch: bij ‘kwalificerende selectie’ denkt de commssie alleen aan doelmatigheid, zonder te wijzen op het controversiële van de idee dat leerlingen hun toelating zouden moeten kunnen verdienen (invloed op de eigen kans), ook al gaat het om een numerus fixus waar toelating van de ene kandidaat leidt tot uitsluiting van een andere. Herken hierin een meritocratisch trekje. Kan de ‘verdienste’ van een hoger eindexamencijfer rechten geven op hogere toelatingskansen? Een tweede ding bedenk ik me: deze commissie gaat niet in op een belangrijk argument van Ger Klein: zonder meer eindexamencijfers gebruiken (bij de gewogen loting) werkt discriminerend; politiek is dan aan de orde: is dat effect ernstig genoeg om maatregelen te nemen.  De commissie geeft daar geen inzicht in.  In de 70er jaren scoren vrouwen lager op de eindexamens; decennia later is dat precies omgekeerd en scoren mannen lager.  Heeft zoiets op de lange duur, cumulatief, een ontwrichtend effect? Rendement van de opleiding als criterium nemen leidt rechtstreeks tot discriminatie (vrouwen staken vaker de studie, enzovoort), en dat moet te denken geven: waar zijn we dan mee bezig? Zou rendement een goed criterium zijn voor een ziekenhuis?  Een derde punt: de commissie gaat niet in op de strijd over loten versus selecteren omdat daar begin 70er jaren wel genoeg over is geschreven; serveert de commissie hiermee zijn lid prof. dr. K. Bakker, bioloog te Leiden, af? De literatuurlijst suggereert dat ook: wel artikelen van Bakker (en Leppink en Veldkamp) vermeld, maar niet de artikelen waartegen zij zich juist keren (Wilbrink & Van der Vleugel in OvO, Wilbrink in NRC CS). Afijn, ik zit er niet mee.

    Niet ieder thema in dit advies is even belangwekkend, sla dat dan gerust over. Geniet van de strakheid van de argumenten, zet ze af tegen hoe u zelf op voorhand uw menig had bepaald. Dit is veruit het meest overtuigende document uit de geschiedenis van de numerus fixus in de 70er jaren. Het rapport is moeilijk vindbaar, ik ben zo vrij om hier een volledige transcriptie te geven.



Warries, E. (Voorzitter) (januari 1977). Toelatingscriteria voor de numerus fixus-studierichtingen in het wetenschappelijk onderwijs. Advies van de Adviescommissie toelatingscriteria wetenschappelijk onderwijs. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. ( offset rapport 69 blz.)


Woord vooraf


De vraag op welke wijze de toelating tot numerus fixus-studierichtingen in het wetenschappelijk onderwijs (w.o.) het beste kan worden geregeld, heeft de afgelopen jaren in de discussies over de numerus fixus in en buiten het parlement een belangrijke rol gespeeld. Daarom heb ik in november 1975 de Adviescommissie toelatingscriteria w.o. ingesteld om mij over de te hanteren toelatingscriteria voor numerus fixus-studierichtingen van advies te dienen.

In haar advies van november 1976 doet de commissie aanbevelingen met betrekking tot de voor de studiejaren 1979-1980 en volgende toe te passen toelatingscriteria. Hiermede wordt een belangrijke bijdrage geleverd in de voortgaande discussie over het toelatingsstelsel voor numerus fixus-studierichtingen, om welke reden ik het gewenst acht dat dit advies nu reeds wordt gepubliceerd.

In de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp dat thans wordt voorbereid ter vervanging van de geldende Machtigingswet inschrijving studenten zal worden ingegaan op de aanbevelingen die door de Adviescommissie toelatingscriteria w.o. zijn gedaan.

De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen
dr. G. Klein


INHOUD

1. Algemeen kader
1.1. Inleiding
1.2. Noodzaak van de numerus fixus
1.3. Relatie met het v.w.o.
1.4. Relatie met het h.b.o.
1.5. Een gedifferentieerde wijze van toelaten?
1.6. Wanneer toelatingsbeperking?

2. Toelatingsmodellen
2.1. Algemeen
2.2. Vraagstelling
2.3. Keuze tussen numerieke en kwalificerende toelating
2.4. Partijen, betrokken bij toelatingsregelingen tot het onderwijs
2.5. Doelen van kwalificerende toelating
2.6. Toelatingsmodellen bij n.f.-studierichtingen
2.7.a. Gelijke kansen-variant
2.7.b. Rendemente-variant
2.8. Keuze van een derde mogelijkheid
2.9. Bijprocedures
2.10. Hardheidsclausule.

3. Herkansing en alternatieven voor afgewezen gegadigden
3.1. Herkansingen na afwijzing voor een n.f.-studierichting
3.2. Alternatieven na afwijzing voor een n.f.-studierichting.

4. Conclusies en aanbevelingen.

Bijlagen
– Selectie en loting: meningen van v.w.o.-eindexaminandi
– Geraadpleegde literatuur


De commissie is als volgt samengesteld:

prof. dr. E. Warries, voorzitter prof. dr. K. Bakker dr. A. Bolhuis prof. dr. A. Hazewinkel prof. dr. W.K.B. Hofetee dr. H.H. Kuipers prof. dr. W.A.Th. Meuwese dr. A.C. de Hoon P.M.L. Trommar ar. J.W. Wesseling, secretarie (tot 1 maart 1976: drs. J.M.C.M. van Schoten)

Tijdens de vormgeving van de eindversie van dit advies is dr. H.H. Kuipers overleden. Tot op het laatst was hij actief bij de totstandkoming van het advies betrokken.

TOELATINGSCRITERIA VOOR N.F.-STUDIERICHTINGEN IN HET W.O.

1. Algemeen kader

1.1. Inleiding

Een eerste advies met betrekking tot de voor de studiejaren 1977-1978 en 1978-1979 toe te passen selectiecriteria heeft de Adviescommissie toelatingscriteria w.o. uitgebracht bij haar brief van 27 februari 1976 ( zie blog).

Aan de commissie is bij haar instelling verder gevraagd te adviseren over een selectiesysteem op langere termijn, dat wil zeggen de termijn tot de invoering van een nieuw stelsel van hoger onderwijs.

Staatssecretaris Klein heeft het voornemen kenbaar gemaakt een wetsontwerp in te dienen bij de Tweede Kamer tot verlenging van de thans van kracht zijnde Machtigingswet inschrijving studenten met 2 jaren tot 31 augustus 1979. Voor de daarna liggende periode zal een nieuwe wettelijke regeling ten aanzien van de numerus fixus ontworpen worden ter vervanging van de Machtigingswet, welke van kracht zou moeten zijn tot de invoering van een nieuw stelsel van hoger onderwijs.* Bij de voorbereiding van deze regeling kan een herziening van het toelatingsstelsel voor numerus fixus studierichtingen overwogen worden

Dit advies heeft betrekking op de vragen, die kunnen rijzen bij het ontwikkelen van een nieuw toelatingssysteem voor de studiejaren 1979-1980 en volgende.


noot * In de Nota Hoger Onderwijs in de toekomst, kamerstuk 13.733, zitting 1975-1976 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000197164, wordt als einddoel genoemd: een stelsel van hoger onderwijs dat zowel het huidige w.o. als het huidige h.b.o. omvat. Dit advies heeft echter betrekking op de periode, die afloopt op het tijdstip, dat in het kader van de ontwikkeling van het gehele hoger onderwijs, het toelatingsstelsel tot de instellingen van hoger onderwijs, meer definitief geregeld zal zijn.


1.2. Noodzaak van de numerus fixus
Zoals reeds blijkt uit de opdracht aan de commissie is het waarschijnlijk dat de numerus fixus een meer blijvende plaats in het Nederlandse stelsel van hoger onderwijs zal gaan innemen. Dit is ook een verschijnsel dat in de ons omringende landen optreedt. In sommige landen heeft, zoals in Nederland, de numerus fixus nog pas sedert kort als gevolg van de steeds groeiende stroom studenten zijn intrede gedaan. Dit ging vaak gepaard met heftige discussies voor of tegen. Hoewel het niet op de weg van de commissie ligt om de noodzaak van de numerus fixus te onderschrijven dan wel te bestrijden, is het toch van nut de redenen waarom een numerus fixus kan worden ingesteld in het kort te bespreken. Dit met name omdat de reden waarom een toelatingsbeperking wordt ingesteld, invloed kan hebben op de wijze waarop men meent het beste een keuze te doen uit de zich aanmeldende gegadigden.

In de huidige Machtigingswet inschrijving studenten is als enige rechtsgrond voor het sluiten van een studierichting vermeld de beperkte opnamecapaciteit. Volgens art. 3 ter van deze wet kan voor een studierichting een numerus fixus worden afgekondigd, indien de minister, gezien een Advies van de Academische Raad, van oordeel is, dat landelijk de grens van de beschikbare onderwijscapaciteit in een bepaalde studierichting aan de universiteiten en hogescholen welke zulks aangaat, dreigt te worden overschreden.

Van belang hierbij is nog, dat de minister bij de parlementaire behandeling van de Machtigingswet in 1975 door de Tweede Kamer bij amendement de bevoegdheid is onthouden om het tot een numerus fixus-studierichting toe te laten aantal studenten mede te baseren op de behoeften van de arbeidsmarkt naar afgestudeer-den in de desbetreffende studierichting. Naar het oordeel van het parlement past een dergelijke bevoegdheid niet in een wet met het karakter van een stuk noodwetgeving van tijdelijke aard.

Duidelijk is, dat wanneer de numerus fixus in een meer blijvend kader wordt geplaatst, er bepaalde andere rechtsgronden dan een beperkte opnamecapaciteit moeten zijn om een numerus fixus – en daarmee een inbreuk op de vrijheid van het individu om de studie van zijn keuze te gaan volgen – te rechtvaardigen. De numerus fixus zal veelal nog worden gevoeld als een aantasting van een recht, dat tot nu toe vanzelfsprekend was.

In de Nota Hoger Onderwijs in de Toekomst worden een aantal redenen genoemd om de toelating tot een studieprogramma te beperken. Hoewel deze Nota betrekking heeft op het totstandkomen van een nieuw stelsel van hoger onderwijs, waarvoor de toelatingsregeling buiten de opdracht aan de commissie ligt, wil de commissie toch in het kort nagaan in hoeverre deze redenen ook relevant kunnen zijn voor het instellen van een numerus fixus voor studierichtingen in het wetenschappelijk onderwijs in de meer nabije toekomst.

Op blz. 43 van deze Nota worden zes punten opgesomd, die wij hier achtereenvolgens becommentariëren.

  1. “Als gevolg van een sterke stijging in de belangstelling voor een programma kan de opnamecapaciteit tijdelijk achterblijven”.
    Naar de mening van de commissie zal een sterke stijging van de belangstelling voor een bepaalde studierichting zich meestal niet onverwacht voordoen. In de regel is een stijging van de belangstelling voorspelbaar en deze kan afgeleid worden uit b.v. een zich over een aantal jaren aftekenende tendens. Op de stijging zal dan ook meestal tijdig met een capaciteitsuitbreiding geanticipeerd kunnen worden. Problemen, die voortkomen uit een ongelijke ver-deling van de voorkeur van a.s. studenten over de instellingen kunnen veelal met de instelling van een plaatsingscommissie bestreden worden.
  2. “Er kunnen grote schommelingen in de belangstelling plaatsvinden waaruit geen duidelijke tendens af te leiden is. In dat geval zal een uitbreiding van de capaciteit onvoldoende gerechtvaardigd zijn en ligt een incidenteel beperken van toelating in de jaren van sterke belangstelling voor de hand”.
    Waarschijnlijk kan het praktisch belang van deze reden voor de invoering van een numerus fixus niet groot genoemd worden. Ervaringsgegevens wijzen er niet op, dat onverklaarbaar grote schommelingen in de belangstelling voor bepaalde studierichtingen zich voordoen.
  3. “Een tekort aan gekwalificeerde docenten kan een onbeperkt toelaten van studenten voor de kwaliteit van het onderwijs onverantwoord doen zijn”.Bezien vanuit de huidige situatie is een tekort aan gekwalificeerde docenten voor het wetenschappelijk onderwijs naar de mening van de commissie nauwelijks als een reëel probleem te beschouwen.
  4. “In programma’s die hoge kosten per student met zich brengen kunnen er financiële redenen zijn om aan de toelating beperking op te leggen”.
    De aan een studierichting verbonden hoge kosten kunnen naar de mening van de commissie een legitieme reden vormen om een numerus fixus in te stellen. Wanneer de verantwoordelijke instanties sleutels hanteren om de voor het hoger onderwijs beschikbare middelen te verdelen, kan dit ertoe leiden, dat voor sommige studierichtingen niet meer middelen dan een bepaald maximum bedrag ter beschikking worden gesteld. Dit kan leiden tot een toelatingsbeperking voor die studierichting.
  5. “Nieuwe programma’s, die zich in een opbouwfase bevinden, zullen in het algemeen moeten worden beschermd tegen een te grote belangstelling, die een noodzakelijke consolidatie kan belemmeren”
    Het beschermen van een nieuwe studierichting in opbouwfase is uiteraard een legitieme reden om de toelating te beperken. In deze gevallen is echter sprake van een tijdelijke numerus fixus zonder structureel karakter.
  6. “De verwachtingen wat betreft de ontwikkeling van de vraag van de arbeidsmarkt ten aanzien van bepaalde beroepen kunnen zodanig zijn, dat een evenwichtige voorziening in opleidingsmogelijkheden in het hoger onderwijs het sluiten van bepaalde programma’s noodzakelijk maakt. Het kan hier slechts die programma’s betreffen die een opleiding voor specifieke beroepen verzorgen met geringe substitutie-mogelijkheden, waarvan de toekomstige vraag van de arbeidsmarkt met een zekere mate van betrouwbaarheid kan worden berekend.”
    De commissie spreekt liever van “de maatschappelijke vraag” dan van “de vraag van de arbeidsmarkt”, omdat in deze term het algemeen belang beter herkenbaar is. De commissie meent, dat niet alleen toelatingsbeperking tot een studierichting maar ook uitbreiding op grond van de maatschappelijke vraag gewettigd ie. Daarbij dienen evenwel de voorwaarden die aan de hantering van het arbeidsmarktcriterium in de nota gesteld worden, in acht te worden renomen. In dat geval, wanneer de studierichting vol is en te duur om uit te breiden, eldt het bezwaar van de Tweede Kamer o.i. niet meer.

Samenvattend zou de commissie willen stellen, dat er twee hoofdredenen zijn aan te wijzen, die tot de afkondiging van een nnumerus fixus kunnen leiden: de maatschappelijke vraag naar afgestudeerden in een bepaalde studierichting en, eventueel in samenhang hiermee, wegens de hoge kosten verbonden aan een studierichting. Aan de andere kant meent de commissie, dat de op een bepaald moment aanwezige capaciteit zo goed mogelijk benut moet worden. Het verdient daarom aanbeveling, dat de capaciteit wordt berekend en vastgesteld door een onafhankelijke instantie, die vaste en openbare maatstaven hanteert.

Zoals hierboven reeds is opgemerkt, speelt de reden waarom de toelating beperkt wordt mee in de discussie over het bepalen van de wijze waarop de aanstaande studenten uitgekozen worden. Indien de nadruk valt op de schaarste van de beschikbare middelen en de toelating tot een studierichting vanwege de hogere kosten beperkt wordt, zal als vanzelf op de noodzaak om de aanwezige middelen zo efficiënt mogelijk te benutten de nadruk gelegd worden. Verwacht kan worden, dat in zo’n situatie de druk om vooral kwalitatief te selecteren, met het oog op het studierendement, sterk zal zijn.

Naarmate het accent meer valt op de situatie op de arbeidsmarkt en de toelating om die reden beperkt wordt, zal ook in die mate minder nadruk komen te liggen op kwalitatieve toelating.

1.3 Relatie met het v.w.o.

De wijze waarop de toelating tot het wetenschappelijk onderwijs geregeld is, is uiteraard ook van belang voor de selectieproblematiek bij de numerus fixus. Krachtens art. 26 van de Wet w.o. wordt ieder, die in het bezit is van een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd eindexamen aan een school voor v.w.o. toegelaten tot de examens in het wetenschappelijk onderwijs.

De vraag is, in hoeverre een numerus fixus verenigbaar is met dit in de wet neergelegde toelatingsrecht. Tijdens de parlementaire behandeling van de Machtigingswet inschrijving studenten is dit dan ook een belangrijk punt van discussie geweest.

In de nota naar aanleiding van het eindverslag over het ontwerp-Machtigingswet wordt gesteld:
…”dat het inherent is aan het huidige Nederlandse onderwijsstelsel, dat het behalen van een v.w.o.-diploma een noodzakelijke en tegelijk voldoende voorwaarde is om tot het w.o. te worden toegelaten en in dit onderwijsstelsel een recht op toelating tot dit onderwijs geeft . Dit recht houdt echter niet in;” zo vervolgen de bewindslieden in de nota naar aanleiding van het eindverslag, “dat door de bezitters van dit getuigschrift in alle gevallen het recht op het volgen van een specifiek door hen gekozen studierichting kan worden geëist.

Bepaalde omstandigheden (….) kunnen het noodzakelijk maken dit recht voor bepaalde studierichtingen voor een bepaalde tijd te beperken. Dit laat echter in principe dit recht tot toelating tot het w.o. onverlet”.

Het is zeer de vraag, of deze redenering opgeld kan blijven doen, als de toelating tot bepaalde studierichtingen meer structureel en voor langere tijd beperkt wordt, zeker als we er rekening mee houden, dat de keuzemogelijkheden, die een vakkenpakket biedt, beperkt zijn. Dit kan gevolgen hebben voor het toelatingsrecht tot het w.o., zoals dat thans geregeld is. De commissie signaleert dit vraagstuk als een belangrijk punt maar acht het niet op baar weg te liggen hier dieper op in te gaan.

Met de regeling van het toelatingsrecht is de zg. omnivalentie van het v.w.o.-diploma verbonden. Ongeacht het gekozen vakkenpakket geeft het v.w.o.-diploma toegang tot het wetenschappelijk onderwijs. Indien bepaalde vakken, die van belang zijn voor de studierichting in kwestie, niet in het vakkenpakket voorkomen, dient echter eerst in de in het Academisch Statuut omschreven gevallen de ontbrekende kennis te worden aangevuld, alvorens examens afgelegd kunnen worden. Deze inperking van de omnivalentie laat echter het recht van de v.w.o.-abituriënt onverlet om zich voor de studie van zijn keuze te laten inschrijven en daarin onderwijs te volgen. A.s. studenten met een deficiënt vakkenpakket kunnen daarom thans ook aan de toelatings-procedure voor n.f-studierichtingen deelnemen en hebben het recht zich bij inloting voor de desbetreffende fixus-richting te laten inschrijven. Het aanvullen van de ontbrekende kennis kan echter zoveel tijd kosten, dat de studie pas na één jaar daadwerkelijk wordt aangevangen.

Om deze reden kan een plaatsingscommissie aan personen met een grote deficiëntie, waarvan de aanvulling naar verwachting een jaar in beslag zal nemen, een zg. “schaduw-plaats” aanbieden. Dit betekent dat de plaats waarop de betrokken student krachtens zijn lotnummer recht heeft, voor hem gereserveerd wordt, totdat de ontbrekende kennis is aangevuld. Deze plaats wordt dan dus pas één jaar later effectief.

Het feit, dat de huidige regeling het mogelijk maakt, dat personen met een onvoldoende vakkenpakket toch een plaats kunnen gaan bezetten in een n.f. studierichting ten koste van andere gegadigden, is naar de mening van de commissie een zeer ongunstig neveneffect van de omnivalentie van het v.w.o.-diploma.

Zelfs is denkbaar dat bij het huidige toelatingsstelsel leerlingen bij de keuze van hun pakket een bepaalde strategie voeren, niet vanuit het oogpunt van de vakken die noodzakelijk zijn om de voorgenomen studie met vrucht te kunnen volgen, maar meer met het oog op het behalen van een zo hoog mogelijk gemiddeld eindexamencijfer, zodat hun kans op toelating bij het huidige stelsel van gewogen loting steeds groter wordt. Hoewel een dergelijke gedragslijn vanuit het oogpunt van de v.w.o.-leerlingen wellicht begrijpelijk is, zouden dergelijke overwegingen bij de keuze van het vakkenpakket naar de mening van de commissie geen rol mogen spelen. Er zijn echter geen aanwijzingen, dat deze overwegingen in de praktijk veelvuldig meespelen bij de keuze van het vakkenpakket.

Nu het aantal plaatsen in een n.f.-studierichting beperkt is, dient, naar de mening van de commissie, het deelnemen aan de toelatingsprocedure door studenten met een deficiënt vakkenpakket tegengegaan te worden.

Gedacht kan worden aan drie maatregelen, waarbij de commissie haar voorkeur uitspreekt voor de tweede maatregel

  1. Afschaffing van de omnivalentie van ht v.w.o.-diploma
  2. Gegadigden met een deficiënt vakkenpakket mogen pas na opheffing van de deficiëntie aan de toelatingsprocedure voor n.f.-studierichtingen deelnemen;
  3. Gegadigden met een deficiënt vakkenpakket zijn bij toelating verplicht een schaduwplaats te aanvaarden.
  • Ad 1. De commissie meent, dat een algehele afschaffing van de omnivalentie in de huidige situatie wel een zeer ingrijpende maatregel is. Beter kan de aansluitingsproblematiek bezien worden in het kader van een integrale hervorming van het Nederlandse stelsel van hoger onderwijs, waarvoor de regering haar beleidsvoornemens heeft kenbaar gemaakt in de Nota Hoger Onderwijs in de Toekomst. De commissie onthoudt zich dan ook van het doen van een expliciete uitspraak, maar meent dat er alle reden is het probleem van de omnivalentie nader te beschouwen.
  • Ad 2. Wel wil de commissie zich ervoor uitspreken om personen met een grote deficiëntie, waarvan de aanvulling meestal een jaar zal vergen de toelating tot een n.f.-studierichting te ontzeggen. Deelname aan de toelatingsprocedure zou dan pas mogelijk zijn, nadat de ontbrekende kennis is aangevuld. Terzijde merkt de commissie op, dat landelijke uniforme eisen per studierichting zouden moeten worden gesteld.
  • Een minder vergaand alternatief voor de onder 2 genoemde maatregel is een bepaling, dat personen met een (ernstig) deficiënt vakkenpakket wel aan de toelatingsprocedure mogen meedoen, maar, wanneer zij krachtens deze procedure voor een plaats in aanmerking komen, verplicht zijn een schaduwplaats te aanvaarden.

De commissie wil van de gelegenheid gebruik maken op deze plaats te onderstrepen, dat het van groot belang is eventuele maatregelen, die van invloed kunnen zijn op de keuze van de vakkenpakketten, zo ruim mogelijk van te voren bekend te maken.

De leerlingen in 4-v.w.o., die moeten beslissen over de vakken die zij straks in hun eindexamenpakket gaan opnemen, moeten naar de mening van de commissie reeds volledig kunnen overzien welke invloed deze keuze op de toelating tot het wetenschappelijk onderwijs kan hebben. Een goede voorlichting over wat deze leerlingen na hun eind-examen te wachten staat is onontbeerlijk.

1 .4 Relatie met het h.b.o.

Het bestuderen van de toelatingeregelingen voor de scholen van hoger beroepsonderwija valt buiten de werkzaamheden van de commissie. Hierop wordt daarom slechts zeer summier ingegaan.Volgens de beleidsvoornemens van de Regering zou de toelatingsregeling tot het hoger onderwijs in haar geheel een plaats moeten krijgen in een nieuw stelsel van hoger onderwijs.

Thans is de situatie in het h.b.o. wat betreft de toelating op verscheidene punten afwijkend van die in het w.o. Waar het v.w.o.-diploma in beginsel een recht op toelating geeft tot de instellingen van w.o., daar geven de havo en v.w.o.-diploma’s slechts toelaatbaarheid tot de hbo-scholen. Verder beslissen de besturen van hbo-instellingen zelf over de toelating, waarbij eigen criteria gehanteerd kunnen worden. Duidelijk is, dat de toelatingsregelingen van w.o. en h.b.o. meer op elkaar behoren te zijn afgesteld, indien gestreefd wordt naar een stelsel van hoger onderwijs, dat zowel w.o. als h.b.o. omvat.

In de huidige situatie kan het verschil in toelatingsregelingen met name van belang zijn voor de a.s. student, die zich voor een universitaire studie aanmeldt, met een h.b.o.-opleiding als alternatieve keuze.

1.5 Een gedifferentieerde wijze van toelaten?

Soms wordt bepleit om een differentiatie van de selectie in te voeren per studierichting en instelling van w.o., in die zin, dat de selectiemaatregelen door de betreffende faculteiten zelf worden opgesteld en uitgevoerd. Als argument voor zo’n stelsel wordt aangevoerd, dat deze faculteiten zich meer betrokken zullen voelen bij de door hen zelf uitgekozen studenten en zich er meer aan gelegen zullen laten liggen de studenten tot de eindstreep te brengen.

Dat de docenten zich meer bij de studenten in een gedifferentieerd stelsel betrokken zouden voelen, zal alleen maar opgaan, wanneer deze docenten zelf de studenten uitkiezen. Waarschijnlijker is, dat de selectie in de meeste gevallen zou worden opgedragen aan een bepaalde instantie, b.v. een bureau van de universiteit. Van direkte betrokkenheid van de docenten bij de keuze van studenten kan dan al niet meer gesproken worden.

Een gedecentraliseerd selectiesysteem kan gemakkelijk aanleiding geven tot een subjectieve beoordeling van de a.s. studenten. Dit zou zowel selectie-technisch els selectie-ethisch tot niet optimale procedures kunnen leiden.

Selectie-technisch is in zo’n geval een vermindering van de meet-betrouwbaarheid en validiteit van het toelatingsmiddel te verwachten.

Selectie-ethisch is duidelijk, dat de methode in elk geval niet voldoet aan de minimale eis van objectiviteit en van duidelijkheid voor de kandidaten.

Er zou wel een erg groot verschil in toelatingsregels ontstaan tussen n.f. studierichtingen. Bovendien zou een groot aantal verschillende procedures de toelatingsregels onoverzichtelijk maken voor de betrokkenen. Op die manier wordt de voorbereiding op de selectieprocedure ondoenlijk voor de kandidaten.

1.6 Wanneer toelatingsbeperking?

In de huidige situatie worden aan de ingang van het w.o. de studenten aangewezen die kunnen worden toegelaten tot n.f.-studierichtingen.

Denkbaar is ook om de selectiebeslissing uit te stellen tot een later tijdstip, waarbij het meest voor de hand ligt dit tijdstip te bepalen aan het einde van het eerste cursusjaar. Tot het eerste jaar zouden dan alle gegadigden, die voldoen aan de gewone vereisten, kunnen worden toegelaten, terwijl voor het tweede jaar een numerus fixus wordt ingesteld. Wanneer de bepalingen, die in de wet herstructurering w.o. zijn neergelegd worden toegepast, zou het propedeutisch examen, zoals dat krachtens deze wet zal plaatsvinden, kunnen worden gecombineerd met de selectie die in verband met de numerus fixus dient plaats te vinden. De Nota Hoger Onderwijs in de Toekomst spreekt hier van de combinatie van twee beslissingsmomenten, namelijk van een kwalitatieve selectie en van een numerieke selectie.

Als voordelen van een dergelijk systeem worden wel genoemd, dat de kandidaat binnen het universitaire systeem de gelegenheid krijgt om van zijn motivatie en geschiktheid voor de studio van zijn voorkeur blijk te geven. Verder wordt de waarde van het v.w.o.-diploma minder aangetast dan bij andere selectieprocedures het geval is.

Hoewel dit systeem bij eerste beschouwing zijn aantrekkelijke kanteri lijkt to hebben, vreest de commissie dat er zoveel nadelen zijn aan te wijzen, dat in feite slechts gesproken kan worden van een schijnoplossing. Als schaduwzijden wil de commissie de volgende noemen:
Wanneer bij het propedeutisch examen min of meer vaste normen worden gehanteerd, die niet afhankelijk zijn van het aantal studenten dat tot het tweede jaar kan worden toegelaten, zal in de regel uit de voor het propedeutisch examen geslaagde studenten nogmaals een keuze moeten worden gemaakt. In feite komt men dan weer voor het gewone reguleringsvraagstuk te staan, dat optreedt bij een tekort aan plaatsen en een teveel aan gegadigden. De vraag wordt dan: kwalitatieve selectie of een numeriek systeem toepassen om het teveel aan gegadigden te weren. Op dit punt wordt in de meergenoemde Nota Hoger Onderwijs in de Toekomst terecht gewezen.

Naar de mening van de commissie zou het niet te verdedigen zijn om tussen studenten die zich voor de tweede keer hebben gekwalificeerd, nl. eerst bij het eindexamen en nu bij het propedeutisch examen, te gaan loten. Als enig reëel alternatief blijft dan over om de toelating tot het tweede jaar te baseren op de resultaten die behaald zijn bij het propedeutisch examen. Dan zouden echter geen vaste normen meer gehanteerd worden voor de toelating tot het tweede jaar, maar is sprake van een vergelijkend toelatingsexamen, waarbij de toelatingseisen variëren met het toe te laten aantal studenten. Hieraan zijn duidelijk grote bezwaren verbonden. Te vrezen valt, dat het eerste jaar zou verworden tot een concurrentieslag tussen de studenten, vooral wanneer de selectieratio erg ongunstig is. Zij die bij de propedeuse afvallen hebben een jaar verloren, terwijl ze objectief gezien mogelijk voldoende resultaten hebben getoond om de verdere studie met vrucht te volgen. Indien hen na één jaar een mogelijkheid tot herkansing zou worden geboden, zouden zij met de nieuwe lichting studenten naar de plaatsen moeten dingen. Zeer twijfelachtig zal het dan zijn, of in zo’n situatie de eigenlijke doeleinden van de propedeutische fase – de inleidende en voorbereidende doelen – verwezenlijkt zouden kunnen worden. Men moet aannemen, dat dit laatste slechts mogelijk zou zijn, indien grote extra kosten zouden worden gemaakt, teneinde een voldoende niveau van het onderwijs te handhaven.

Uiteindelijk worden deze kosten echter slechts gemaakt om een selectie-beslissing mogelijk te maken. Achteraf bezien zullen dus voor een groot aantal studenten deze kosten totaal overbodig gemaakt zijn. Deze selectiemethode kan wel als de kostbaarste beschouwd worden. In een tijd, waarin het noodzakelijk is om de schaars beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk te gebruiken, moet ook dit geldelijke tegenargument als belangrijk motief worden beschouwd niet tot de toepassing van deze selectiemethode over te gaan.

De laatste twee punten samenvattend, meent de commissie bij het vervolg van het advies er van te moeten uitgaan, dat een landelijk uniform stelsel wordt toegepast, waarbij aan de ingang van het wetenschappelijk onderwijs geselecteerd wordt.

2. Toelatingsmodellen

2.1. Algemeen
Bij de bespreking van de toelatingsmodellen en de varianten daarbinnen, die gehanteerd zouden kunnen worden om de toelating tot de n.f.-studierichtingen te regelen, meent de commissie de nodige reserves in acht te moeten nemen. Reeds in het eerste advies zette de commissie voorop, dat het ontwikkelen van een voor alle betrokkenen aanvaardbaar selectiesysteem, waarmee de toelating tot de instellingen van wetenschappelijk onderwijs op bevredigende wijze geregeld kan worden, zoals in de motie Ginjaar-Maas wordt gevraagd, naar haar mening ten enenmale onmogelijk is, gezien de discrepantie die er bestaat tussen de vraag naar en het aanbod van onderwijs. Verder werd erop gewezen, dat het selectievraagstuk niet slechts een technisch vraagstuk is, dat door voortgezette studie tot een oplossing kan worden gebracht, maar dat het hier gaat om een probleem, waarover ten principale op politiek niveau een beslissing genomen dient te worden. Ook in dit definitieve advies wil de commissie nogmaals met nadruk wijzen op dit aspect van de selectie-problematiek. Waar in dit hoofdstuk dan ook gesproken wordt van selectie-modellen, daar is het onze bedoeling om een overzicht te geven van de denkwijzen en de indelingen, die in de Nederlandse situatie gehanteerd zouden kunnen worden. Met nadruk brengen wij daarbij tevoren reeds onder de aandacht, dat daarmee op zichzelf nog geen keuze geïndiceerd is bij de toelatingsproblematiek, omdat de uiteindelijke keuze en de wijze van hanteren van het model voor een belangrijk deel wordt bepaald door de politiek-maatschappelijke overwegingen die daarbij gelden. Het spreekt vanzelf, dat de commissie, waarvan de individuele leden wel een standpunt voor zichzelf innemen ten aanzien van deze problematiek, toch geen aanbevelingen kan doen, die op dit punt zeer specifiek zijn. Nochtans hebben de beraadslagingen in de commissie ertoe geleid, dat de commissie zich vrij genoeg acht om althans een bepaalde keuze te maken op grond van de gegeven maatschappelijke omstandigheden, bij de huidige stand van onderwijskundige kennis, zonder dat zij daarbij de mogelijkheden voor vele variaties binnen deze keuze zou willen uitsluiten. Deze voorkeur betreft de keuze voor het model van de gewogen loting, dat op het ogenblik ook reeds in gebruik is.

2.2. Vraagstelling

In het algemeen kan m.b.t. de toelating tot het universitaire onderwijs een aantal vragen worden gesteld waarvan de beantwoording verhelderend kan werken in de besluitvorming.

De eerste vraag is: wat is de hoofdkeuze ten aanzien van het toelatingsmodel:
numerieke en wat personen betreft ongekwalificeerde toelating of een kwalificerende toelating?

De tweede vraag is: welke partijen zijn betrokken bij de regeling en welke inbreng hebben deze partijen?

De derde vraag is: welke doelen streeft men na wanneer men kwalificerend selecteert?

Tenslotte kan men in het bijzonder geval van de numerus fixus bij het universitaire onderwijs het probleem stellen welke hoofdprocedure hier in dit geval haalbaar is en welke bijprocedures men zou kunnen instellen om te voorzien in onvolkomenheden van de hoofdprocedure.

In het onderstaande gaan wij op elk van deze vragen in en wij eindigen dit hoofdstuk met een beschouwing over de mo-gelijkheden bij de huidige en toekomstige n.f.-studierichtingen.

2.3. Keuze tussen numerieke en kwalificerende toelating

Wanneer goederen, diensten of voorrechten niet of in beperkte mate voorhanden zijn voor degenen, die daarnaar vragen, dan zullen in het algemeen de bestuurders of systeem-beheerders, die het goed ter beschikking stellen twee manieren hebben om de toegankelijkheid tot het schaarse goed te regelen. Zeer in het algemeen, dus niet alleen voor onderwijs, geldt dan dat er twee mogelijkheden zijn, die elk weer eigen onderverdelingen en variaties kennen: De numerieke en – wat personen betreft – ongekwalificeerde toelating tegenover de kwa-lificerende toelating.

Van numerieke toelating is sprake wanneer de bepering door het systeem, dat het goed ter beschikking heeft, wordt opgelegd zonder aanzien des persoons. Wij kennen deze wijze van beperking uit het dagelijks leven. Als de molenaar op zekere werkdag minder maaluren beschikbaar heeft dan de boeren wensen, dan geldt de toelatingsregel: wie het eerst komt, het eerst maalt.

Deze volgorderegeling is eveneens bekend bij de klanten van de schouwburg en het voetbalstadion, althans als hoofdprocedure en in de meeste gevallen. Bekend is ook de prijshoogteregeling, waarbij vraag en aanbod met elkaar in evenwicht blijven door wijzigingen in de prijs die de consument betaalt in guldens of dollars voor de te verkrijgen diensten. Er zijn niet alleen in de verkoop van goederen, maar ook in de verkoop van onderwijs vele voorbeelden van. Een derde mogelijkheid van een naar de persoon ongekwalificeerde toegankelijkheidsregeling is de loting, waarbij door toeval wordt vastgesteld, wie deel zullen hebben aan het te verdelen goed.

In het geval van kwalificerende toelating stelt het systeem met aanzien van de persoon vast, wie zal worden toegelaten. Afhankelijk van de verhouding tussen het aantal gegadigden en het aantal plaatsen (stuks goederen) dat men kan en wil verdelen, kan daarbij een absolute of een vergelijkende kwalificerings-procedure worden toegepast. Toelating tot onderwijssystemen vindt doorgaans kwalificerend plaats.

2.4. Partijen, betrokken bij toelatingsregelingen tot het onderwijs.

Alvorens in verband met de kwalificerende toelating te spreken over de motivering, het doel en de gebruikte middelen, maken wij eerst een korte opmerking over de partijen, die betrokken zijn bij regelingen van de toegang tot een schaars goed, zoals het onderwijs. Wij zien vijf partijen in het onderwijs, als we het over toelating hebben:

  1. het onderwijssysteem dat bepaalde doelen nastreeft en dat de middelen heeft om de toegang te reguleren. Het systeem wordt doorgaans gerepresenteerd door de beheerders en de bestuurders van het systeem, bij scholen of onderwijsinstellingen dus de leiding of het bevoegd gezag, vaak de overheid, maar ook schoolbesturen.
  2. De kandidaten (met hun ouders, voorzover die voor hen optreden) die toegang wensen tot de instelling. In sommige gevallen staat de partij van de kandidaten niet zo apart van het systeem, omdat men het systeem ten dele beheerst, bijvoorbeeld bij kleine schoolverenigingen met ouders-leden. Uiteraard wijkt de partij van de kandidaten en hun ouders in zoverre af van de andere partijen, dat zij niet gezamenlijk optreden en geen onderling overleg hebben. Zij opereren als individuen en als gevolg hiervan wordt hun stem nauwelijks gehoord. De commissie heeft gemeend aan dit laatste tegemoet te kunnen komen door een enquête in te stellen onder de kandidaten voor toelating tot het universitaire onderwijs (zie bijlage).
  3. Het direct volgende systeem.
    De afnemers van de afgestudeerden vormen dikwijls een duidelijk herkenbare partij, waar het om gekwalificeerde toelating gaat. Als de afnemer een onderwijsinstelling is, zal die enig belang hebben bij de samenstelling van de instroom van studenten, afkomstig uit het voorafgaande systeem op grond van de verwachting, dat eigen uitstroom daardoor voor een groot deel is bepaald: m.a.w. door het selecteren op getal en intellectueel niveau kan men omvang en niveau van de eigen groep van afstuderenden enigszins in de hand houden. Als de afnemer een bedrijf is, geldt ongeveer hetzelfde. Een heel bijzondere invloed kan het direct volgende systeem hebben als we er onder verstaan de groep van beroepsbeoefenaren, waarin de kandidaat t.z.t. na verlaten van het systeem zijn plaats zal vinden. Denkbaar is dat de beroepsgroep met het oog op de situatie op de arbeidsmarkt voor de beroepsgenoten invloed wenst uit te oefenen op de aantallen toegelatenen.
  4. Het direct voorafgaande systeem.
    Degenen die de kandidaten leveren, zijn duidelijk partij. De keuze van leerdoelen, en de gestrengheid waarmee het bereiken van zekere niveaus of vaste, dan wel wisselende criteria in de voorafgaande instelling worden getoetst, ondergaan de invloed van het opvolgend onderwijs. Andersom wordt in dat opvolgend onderwijs rekening gehouden met de desbetreffende gebruiken in het voorafgaande, door bijvoorbeeld het daarop gebaseerde advies voor verdere studie mee te laten gelden bij de toelating.
  5. Het meer omvattende systeem of het algemeen belang.
    Behalve de vier bovengenoemde partijen, die hun eigen specifieke belangen hebben bij het systeem van de toelating kan men en dient men vanzelfsprekend rekening te houden met het algemeen maatschappelijk belang. Regering en parlement behartigen dit algemeen belang. Daar het soms moeilijk te bepalen is, waarmee het algemeen belang gediend is, komt het de commissie in elk geval wenselijk voor, de argumenten te toetsen tegen de achtergrond van het onderscheid in vier specifieke partijen en een algemene “partij”.

2.5. Doelen van kwalificerende toelating

Kwalificerende toelating ten dienste van een systeem kan, afhankelijk van het hoofddoel ervan of de idee, die erachter zit, van verschillende middelen gebruik maken. Hierbij kunnen twee hoofddoelen onderscheiden worden, nl:
1. het bevorderen van de groepscohesie
2. het bevorderen van het rendement

Als motivering of idee achter deze twee hoofddoelen zien wij het volgende:

  1. het bevorderen van de groepscohesie.
    Toelatingsregelingen, die vooral gericht zijn op het bevorderen van de groepscohesie, zou men kunnen verklaren vanuit het club-idee: degenen, die het systeem beheren en vertegenwoordigen, willen bij voorkeur mensen in de club opnemen, die daar echt in passen. De kandidaten moeten de sfeer en de toon van de instelling niet verstoren, maar bestendigen. De toelating is erop gericht, de bestaande groep zò aan te vullen, dat de onderlinge sociale relaties optimaal zijn. Een nieuw groepslid moet gemakkelijk worden opgenomen in het netwerk van sociale relaties en de kans moet miniem zijn, dat hij uit de toon valt. Het toelatingsmiddel, dat hier bij uitstek geschikt is, is het interview, de persoonlijke indruk, het ongedwongen gesprek en observatie bij groepsdiscussie of groepsopdracht.
  2. Het bevorderen van het rendement:
    Hierbij wordt een grotere doelmatigheid nagestreefd, zonder dat men de aanwending van arbeid en kapitaal ingrijpend wijzigt. De veronderstelling is, dat door de selectie van de kandidaten een groter nuttig effect bereikt kan worden bij gelijke inspanning en kosten dan wanneer niet geselecteerd wordt. Daarbij zijn drie overwegingen in het geding, die elk kunnen leiden tot een bepaalde variant in de selectieprocedure.Het gaat om deze drie zaken:

    1. Bij gelijkblijvende inspanning en kosten een betere start van het leerproces
    2. Bij gelijkblijvende inspanning en kosten een beter leerproces
    3. Bij gelijkblijvende inspanning en kosten een hoger niveau van afgestudeerden.

    Hierbij valt het volgende op te merken:

    • ad a. Een goede start van het leerproces is gewaarborgd, als de voorkennis van de kandidaten voldoet aan de eisen, die de nieuwe instructeurs stellen. Het idee is te beschouwen als een drempelidee. Inhoud en vormgeving van het onderwijsleerproces in het instituut liggen vast. De kandidaat dient ervoor gezorgd te hebben, dat hij de vereiste beginkennis en -vaardigheden beheerst, anders kan hij beter wegblijven, omdat dan de start vertraagd of onmogelijk wordt. Bij de intree van de universiteit kent men deze drempel in de vorm van het voorgeschreven vakkenpakket en niveau van beheersing van vakken. Het toelatingsmiddel kan dus liggen in toetsing aan de voorschriften over vakken en niveau van kennis daarin. Ook eindexamen, studietoets of toelatingsexamen kan men als drempels beschouwen, voorzover ze althans in redelijke mate voldoen aan de eis, die men aan een drempel mag stellen: die van vaste criteria.
    • ad b. Een beter leerproces bij gelijkblijvende onderwijssituatie heeft te maken met het idee van systeem-rendement of van efficiency. Hoe kan men bij gelijkblijvende inspanning en kosten betere leerprestaties bereiken, dus bijv. minder uitval en vertraging tijdens het verblijf op de onderwijsinstelling. Deze toelatingsregeling zal erop gericht zijn de efficiency, het rendement van de instelling, te verhogen. Daartoe kan men, vergelijkenderwijs, kandidaten toelaten met hoge relatieve kansen op goede studieprestaties en slagen bij overgangen of voor het eindexamen. Het daarbij behorende toelatingsmiddel is bekend: Men meet die persoonlijke kenmerken die sterk bleken te correleren – in vroeger verricht onderzoek – met studieprestaties; deze metingen worden zo goed mogelijk gecombineerd tot één score op een complexe predictorvariabele die de beste voorspelling geeft in onderzoek: hogere waarden op deze variabele geven hogere toelatingskans. Nadeel van deze procedure is, dat de kosten voor het uitwerken van deze procedure voor de instelling nogal kunnen oplopen, zonder dat de verhoging van de opbrengst in termen van verminderde uitval en vertraging merkbaar is. Niettegenstaande een hoger gemiddeld leertempo en een hoger uiteindelijk pres-tatiegemiddelde – dus een hogere opbrengst – is er geen besparing op kosten en middelen. Immers hierbij dient in aanmerking genomen te worden, dat de aangetoonde beoordelingswetmatigheden – zoals bedoeld in de zg. wet van Posthumus – de prestatiescoreverdeling nagenoeg gelijk houden aan de toestand zonder een toelatingsmiddel.
    • Ad c. Bij gelijke inspanning en kosten een hoger niveau van afgestudeerden: via de toelatingsregeling kan men, als er tenminste genoeg aanbod is, probéren om een maximaal nuttig effect te bereiken door uitsluitend die studenten toe te laten, van wie men aanneemt, dat ze het beroep op een hoger plan zullen brengen. Zo is vroeger al eens in de Verenigde Staten geprobeerd het peil van de lager gekwalificeerde docenten te verhogen door strenger selecteren bij de intree van de docentenopleiding. De idee daarbij is, dat een instelling de beste afgestudeerden levert, door de besten toe te laten. Het streven naar hoger gekwalificeerde afgestudeerden wordt daarbij gediend door een eenvoudig middel: de intelligentietest, eventueel nog aangevuld met metingen – al dan niet objectief – van algemeen ont-wikkelingspeil. Meestal wordt door de betrokkenen gesteld, dat niveauverhoging van de afgestudeerden goed is voor de beroepsuitoefening of voor de status van de onderwijsinstelling of beiden. Men kan ook aanvoeren, dat het een kwestie van algemeen belang ie, dat een beroep als dat van onderwijzer wordt uitgeoefend door mensen die daarin het beste zijn. Voor alle drie de gevallen, a, b en c geldt dat het zelden mogelijk en praktisch te verwezenlijken zal zijn om een absolute drempel te stellen voor toelating op grond van dit soort overwegingen; immers de absolute aantallen toegelaten beperken op grond van een drempel, die in het geval van weinig gekwalificeerd aanbod door niemand gehaald wordt, is niet goed doenlijk.

2.6. Toelatingsmodellen bij n.f.-studierichtingen.

In het voorgaande is gesproken over de hoofdkeuze die men zal dienen te maken bij een toelatingssysteem, nl. numeriek of kwalificerend. Verder hebben wij ter sprake gebracht, dat verschillende partijen zijn betrokken bij de regeling en wij hebben een nadere beschouwing gegeven over de nagestreefde doelen bij kwa-litatieve selectie. In het onderstaande gaan wij naar aanleiding daarvan een beperking aanbrengen in die varianten van de toelatingsmogelijkheden, die realiseerbaar zijn.

De numerieke toelatingsprocedure kent eigenlijk drie varianten: toelating op grond van rangorde; toelating tegen betaling; en tenslotte loting.

De eerste variant: toelating op grond van rangorde, b.v. door middel van een wachtlijst, is in West-Duitsland in gebruik, maar heeft daar binnen 3 of 4 jaren tot onoverkomelijke problemen geleid, omdat de gegadigden daar verzekerd waren van een plaats, zij het pas na enkele jaren. In het geval van onzekerheid m.b.t. de plaatsing, zoals in de Nederlandse situatie met een systeem van herhaald meeloten met dezelfde kans, doet zich dit niet voor. Wanneer de wachtlijstregeling voor een korte termijn zou gelden, zou zij wellicht aanvaardbaar zijn. Voor toepassing gedurende een langere termijn komt zij wegens het stuwmeereffect, dat zal optreden, niet in aanmerking. Hierbij telt mee, dat het institutionaliseren van een wachtlijstsysteem op zichzelf reeds een be-vorderende werking zal hebben op het onstaan van een stuwmeer van wachtenden. Deze variant zullen wij hier dan ook niet verder bespreken. Toelating op grond van betaling, zoals in de particuliere universiteiten in de Verenigde Staten, zullen wij eveneens, als zijnde niet relevant, hier niet ter sprake brengen. Dan blijft als enige variant van numerieke toelating over: het lotingssysteem.

Wat betreft de kwalificerende toelatings zoals wij reeds in het voorgaande betoogd hebben, is toelatingsselectie met het doel de groepscohesie in een instituut te bevorderen in de gegeven tijdsomstandigheden en gezien de onderwijssituatie in de universiteiten, niet ter zake.

In het onderstaande zullen wij nog wel spreken over de kwalificerende toelating, die als oogmerk heeft het rendement van de onderwijsinstelling te bevorderen.

Eigenlijk zijn er, naar de mening van de Commissie, slechts twee zuivere varianten, die in aanmerking komen voor verdere bespreking nl.

    1. de gelijke kansenvariant of loting als numerieke toelatingsprocedure en
  1. de rendementsvariant, waarbij op grond van kwalificerende toelating gepoogd wordt met gelijke inspanning en kosten een zo hoog mogelijk eindresultaat te bereiken.

In onderstaande paragraaf bespreken wij deze twee varianten.

2.7 a Gelijke kansen-variant

In dit model wordt geen onderscheid gemaakt tussen de gegadigden, die allen hun bevoegdheid om examens af te leggen aan een universiteit of hogeschool hebben verworven. De a.s. studenten worden zonder aanzien des persoons toegelaten. Bij de toepassing van dit model gaat men ervan uit, dat alle gegadigden evenveel kans behoren te hebben op een plaats. Integrale loting is een voor de hand liggende invulling van het model. Persoonlijke factoren kunnen echter ook bij de loting weer een rol gaan spelen, wanneer meermalen deelnemen aan de loting mogelijk is. Men denke bijv. aan een niet te onderschatten factor als financieel uithoudingsvermogen. In dat geval zouden we dus ongemerkt weer in een kwalificerende selectie terechtkomen. Op de mogelijkheid tot herhaalde deelname aan de toelatings-procedure wordt in de volgende paragraaf nog nader ingegaan. Wanneer de numerus fixus uitsluitend als een regulerings-probleem wordt gezien, dat zo goed mogelijk moet worden opgelost in overeenstemming met de uitgangspunten van de gelijke kansen-variant, kan dit een overweging ten gunste van de toepassing van de lotingsprocedure opleveren. Het gaat er dan immers slechts om de beperkte hoeveelheid plaatsen te verdelen, waarbij niet relevant is, wie de plaatsen zullen bezetten.

Voor- en nadelen van de loting zijn overigens in de afgelopen jaren uitgebreid besproken. Met name was dit het geval bij de parlementaire behandeling van het wetsontwerp tot verlenging en wijziging van de Machtigingswet inschrijving studenten in 1975. De commissie acht het dan ook niet noodzakelijk de voor- en nadelen van dit systeem nogmaals breed uit te meten.

b Rendements-variant

In dit model wordt wel onderscheid gemaakt tussen de zich aanmeldende gegadigden. Het gaat hier om naar de persoon kwalificerende toelating. Bij de toepassing van dit model bij de toelating tot n.f.-studierichtingen wordt naast het aspect van de regulering i.v.m. het plaatsgebrek een ander element ingevoerd. Met de toelatingsregeling wordt tevens een ander doel nagestreefd.

Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, kan de instelling met de kwalificerende toelating wel bij gelijke inspanning en kosten een hogere opbrengst behalen:
– een betere sfeer voor studie en werk
– een voorspoedige start van het leren
– een hoger leertempo
– een hoger niveau van afgestudeerden.

Dit zijn de doelen die naar onze mening bij kwalificerende toelating kunnen worden nagestreefd. Wij hebben de laatste drie eerder als rendementsdoelen gekarakteriseerd. Hoe staat het daar nu mee, als wij naar de toelating tot het universitaire onderwijs kijken?

  • niemand gelooft nog, dat bij de huidige schaalgrootte van onze studierichtingen een toelating op grond van “aardig vinden” of iets dergelijks nog passend is. Wat voor een studentendispuut, sportclub en kleinere werkgemeenschap bruikbaar is als selectiegrond, is onaanvaardbaar in ons universitair onderwijs (zie ook 2.5.). Het interview kan niet worden toegepast, omdat het een slecht selectiemiddel is, alle praktijken in het buitenland en in sommige sectoren van het h.b.o. ten spijt.Het interview kan aanleiding geven tot het uitleven van vooroordelen. Het is dan ook gebleken, dat van elkaar onafhankelijk optredende interviewers dikwijls tot verschillende resultaten komen.
  • het rekening houden met beginkennis en -vaardigheden wordt hoe langer hoe meer ingebouwd in de aansluitingeproblematiek van onderwijsinstellingen. Voor een goede start is dit een absoluut vereiste. Praktisch probleem is op dit moment wel het overleg tussen de aan elkaar grenzende instellingen en het opstellen van contracten daarover, waarbij waarschijnlijk onderwijskundig advies nodig is.
  • een hoger leertempo bij selectie op voorspellende variabelen is onder zekere voorwaarden wel te garanderen. Er zijn echter van verschillende kanten hiertegen verscheidene bezwaren naar voren gebracht, die hieronder worden opgesomd, zonder dat de commissie daarover een oordeel uitspreekt:
    1. de fouten-marge bij de predictie is ontoelaatbaar groot
    2. bij een scherpe selectieverhouding ontstaat een ongewenst homogene studentenpopulatie.
    3. selectie op basis van predictie werkt discriminerend t.a.v. onderscheidene sociale groeperingen.
    4. er is – wanneer de beoordelingsgewoonten niet zouden veranderen – geen garantie voor minder vertraging en studieuitval.
    5. er wordt veel waarde gehecht aan oude succes-eigenschappen, die bij vernieuwing van de studie of het beroep niet meer zo sterk gelden.
  • een hoger niveau van afgestudeerden is aantrekkelijk voor de onderwijsinstelling, de beroepsgroep en wellicht de maatschappij. Veronderstellingen over het optimale intellectuele niveau voor een goede beroepsuitoefening zijn echter altijd nogal riskant.In sommige gevallen is zelfs een duidelijk nadeel gesignaleerd: daar, waar namelijk intellectuele belangstelling, zoals in sommige Amerikaanse geneeskundige opleidingen, leidt tot veelvuldige specialisaties of tot onderzoeks-loopbanen, zodat de huisarts niet meer beschikbaar komt.

2.8 Keuze van een derde mogelijkheid

Welke hoofdprocedure bij de toelating tot n.f.- studierichtingen gehanteerd zal worden, hangt af van de keuze tussen de twee hierboven genoemde varianten: toelating zonder aanzien des persoons of kwalificerende toelating. Het spreekt vanzelf dat de realisering van beide modellen nog vele mogelijkheden voor varianten openlaat, zeker wat betreft de kwalificerende toelating. Wij gaan daarop hier niet in.

Wat wij wel nog willen vermelden is een derde mogelijkheid, nl. die van de gewogen loting, zoals deze op het ogenblik ook in gebruik is. Men zou de gewogen loting kunnen beschouwen als een geheel nieuw systeem van toelating, waarbij elementen uit de beide andere, zuivere, modellen gebruikt zijn. Zo is het element van loting uiteraard afkomstig uit de numerieke toelatingsprocedure. Anderzijds is het gebruiken van de gemiddelde eindexamencijfers in de discussie duidelijk verdedigd als een rendementselement.

Een systeem van gewogen loting kan in allerlei variaties worden toegepast. Met name kunnen in de volgende twee elementen schakeringen worden aangebracht:
1. de indeling in categorieën
2. de lotingsgewichten.

  • ad 1. Thans is de indeling in categorieën, voor zover mogelijk althans, gebaseerd op de hoogte van het gemiddelde eindexamencijfer. Hierbij zijn zes cijferklassen onderscheiden. De indeling in categorieën zou ook op andere gronden kunnen geschieden. Bijvoorbeeld op grond van aanlegtesten of toelatingstoetsen. De wijze waarop de categorieën worden gevormd is afhankelijk van de selectiemiddelen waarmee men meent de gegadigden op de meest efficiënte wijze te kunnen kwalificeren.Bij de uitwerking in termen van beleidsmaatregelen van dit model zal men misschien meer dan voorheen het geval is geweest expliciet rekening moeten houden met de omstandigheid, dat alle kwalificerende toelatingsmiddelen, die tot nu toe bekend zijn in kringen van onderwijskundigen en psychologen te maken hebben met rendementsoverwegingen, die in de allereerste plaats ten doel hebben het systeem efficiënter te laten werken.Men zou de belangen van de kandidaten, alsmede het algemeen belang, zeer expliciet in de overwegingen kunnen betrekken. Daarbij moet men er dan rekening mee houden, dat de huidige stand van onze onderwijskundige kennis nog niet zo ver is gevorderd, dat voor deze situatie de geëigende hulpmiddelen ter beschikking staan. De onderwijskundigen hebben zich, waar het om selectie ging, bijvoorbeeld nauwelijks gespecialiseerd in de aansluitingsproblematiek tussen v.w.o. en universitair onderwijs en in de instructieproblematiek in het universitair onderwijs.
  • ad 2. Een systeem van gewogen loting wordt voorts bepaald door de aan de verschillende categorieën toegekende lotingsgewichten. Ook hier zijn tal van nuanceringen mogelijk. Door de wegingsfactoren wordt de vorm van de curve bepaald, die het verband tussen lotingskansen en categorieën weergeeft. Hoe steiler deze curve oploopt, des te meer krijgt het systeem het karakter van kwalificerende toelating. Zelfs kan in het systeem aan een bepaalde categorie een kans van 100% gegeven worden. Zo heeft de commissie in haar eerste advies voor de studiejaren 1977-1978 en 1978-1979 zich met de grootst mogelijke meerderheid ervoor uitgesproken om de twee hoogste lotingsklassen met een gemiddeld eindexamencijfer van 8 en hoger rechtstreeks toe te laten. Tevens werd geadviseerd om de wegingsfactoren voor de overige categorie¨n hierbij aan te passen om een zo gelijkmatig mogelijk verloop van de curve te waarborgen. Een implicatie van bovenstaand voorstel is nl. dat de gewichten per categorie steil moeten oplopen wil het verschil tussen 7 en 8 niet erg groot worden. Het voorstel behelsde dus een sterk selectieve variant van gewogen loting speciaal in het geval waarin slechts weinigen kunnen worden toegelaten. Op deze implicatie moet nadrukkelijk worden gewezen omdat hij niet door ieder meteen wordt onderkend.

In een in juni 1976 door de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs gehouden enquête onder leerlingen van 5 v.w.o. van een 20-tal scholen over lotingsmethoden bij de toegang tot het hoger onderwijs, bleek het grootste gedeelte van deze leerlingen, die rechtstreeks belanghebbenden zijn bij de voor de studiejaren 1977-1978 en 1978-1979 geldende toela-tingscriteria, een systeem van gewogen loting, waarbij de topgroep rechtstreeks wordt toegelaten, te prefereren boven de huidige regeling (auteur: drs. J.M. van der Hat, Directeur Onderwijsbureau OMO, gepubliceerd in “Director”, periodiek van AVS, sept. 1976, nr.87). Dit blijkt uit de volgende tabel, die de antwoorden weergeeft op de vraag een keuze te maken tussen het voorstel van de Commissie-Warries en de huidige regeling:


rapport gem. aantal leerl. voorstel warries huidige onbe-
                                            regeling kend
---------------------------------------------------------
meer dan 8    21               18             2      2
7,5-8        103               70            27      6
7-7,5        261              174            75     12
6,5-7        461              276           156     29 
6-6,5        400              187           180     33 
minder dan 6  86               53            23     10
---------------------------------------------------------
totaal      1332              778           463     91 

In de toelichting op deze tabel wordt gesteld: “Het is duidelijk, dat de leerlingen met een rapportgemiddelde van minder dan 6½ hier iets anders scoren. Opvallend is daarentegen, dat de leerlingen met een rapportgemiddelde tussen 6½ en 7½ zich hier op dezelfde duidelijke wize voor het voorstel Warries uitspreken.

De gymnasiumleerlingen zijn in iets grotere mate voor het voorstel Warries dan de atheneumleerlingen.”

Zoals hierboben reeds is gesteld, verenigt de gewogen loting elementen van de gelijke kansen-gedachte en de en de rendementsgedachte in zich. Voor- en nadelen van de “zuivere modellen” zijn ook bij de gewogen loting als compromis-model aanwijsbaar.

In een dergelijk systeem kunnen de nadelen, die zijn verbonden aan de modellen, waaraan elementen zijn ontleend, niet worden weggenomen. Slechts de scherpe kantjes kunnen afgeslepen worden.

Niettemin pleiten naar de mening van de commissie vele argumenten voor de toepassing van een stelsel van gewogen loting.

Het systeem werkt nu enige jaren in de praktijk en over het geheel genomen is de werking van het stelsel niet onbevredigend. Van grote weerstanden tegen het systeem is niets gebleken. Verder verdient een zekere mate van continuïteit in de toelatingsregeling aanbeveling. Het stelsel heeft evenals de integrale loting het voordeel van objectiviteit.

Het aan het louter op eindexamencijfers selecteren verbonden gevaar van cijferinflatie bij het v.w.o. heeft zich niet in aanwijsbare mate voorgedaan.

Dit kan worden afgeleid uit een frequentie-verdeling van eindexamencijfers op grond van de jaarverslagen van de Centrale Commissie Aanmelding en Plaatsing a.a. eerstejaarsstudenten.

Ook het bezwaar van een verschraling van het onderwijs in de laatste twee jaren van het v.w.o. door een eenzijdige belangstelling voor de eindexamenvakken onderschrijft de commissie niet, daar de praktijk uitwijst dat in deze jaren slechts onderwijs in eindexamenvakken wordt gevolgd door de leerlingen (eventueel met uitzondering van maatschappijleer, lichamelijke oefening, handvaardigheid en/of tekenen).

Om te peilen wat door de meest bij de numerus fixus betrokken groep als een rechtvaardig systeem wordt ervaren, is op initiatief van de commissie een enquête gehouden onder 2313 zesde-klassers v.w.o. (Zie bijlage; auteurs: W.K.B. Hofstee en P.M.L. Trommar). De belangrijkste vraag was die, waarbij gevraagd werd te kiezen tussen loting, selectie en gewogen loting. Een vraag naar de mening van de leerlingen betreffende direkte toelating van v.w.o.-abituriënten met een 8 of hoger gemiddeld is dit keer niet opgenomen om de enquête niet te ingewikkeld te maken. Zeer duidelijk wordt integrale selectie afgewezen.

Loting en gewogen loting gooien ongeveer even hoge ogen. Naarmate de directe betrokkenheid van de respondenten bij de fixusproblematiek stijgt (in verband met voorgenomen universitaire studie) blijkt een lichte voorkeur voor integrale loting over te gaan in een duidelijke voorkeur voor gewogen loting.

De mening van de meest betrokken groep weegt voor de com-missie zwaar. Dit te meer, nu niet precies te voorspellen is hoe groot de winst is, die met de toepassing van een bepaald kwalificerend toelatingssysteem geboekt kan wor-den. Een systeem dat in overeenstemming is met de rechtvaardigheidsgevoelens van de a.s. studenten verdient dan de voorkeur.

Alles afwegend wil de commissie een duidelijke voorkeur uitspreken voor de toepassing van een systeem van gewogen loting, waarbij de goede elementen uit het rendements- en het numerieke systeem zijn overgenomen. De bepaling van de gewichten is naar de mening van de commissie een politieke kwestie. Hoe steil de curve zal worden, zal daarbij afhangen van:
1. de gewichten
2. de selectieratio, d.w.z. de verhouding tussen aantal plaatsen en aantal gegadigden
3. de cijferverdeling in de groep van gegadigden, bv. het percentage, dat een gemiddeld eindexamencijfer van 8 of hoger heeft.

Het verdient aanbeveling om, alvorens tot vaststelling van de gewichten (eventueel per studierichting) over te gaan, d.m.v. simulaties te bezien wat het effect van die gewichten zal zijn, gegeven een schatting van de selectieratio en van de cijferverdeling.

2.9. Bijprocedures

Denkbaar is, dat wanneer de keuze voor een bepaalde hoofdprocedure gemaakt is, men hiernaast nog de kans op toelating van bepaalde groepen wil verhogen. Twee varianten kunnen hier onderscheiden worden, Toepassing van die varianten zou kunnen leiden tot “bijprocedures”, naast de hoofdprocedure.

1. Kredietvariant

Het is mogelijk, dat men een aantal personen wil toelaten op grond van verdienste. Gedacht kan b.v. worden aan de beloning van werkervaring of aan de beloning van personen, die op latere leeftijd een v.w.o.-diploma hebben behaald (tweede kans-onderwijs). Naar het de commissie voorkomt, is de enige mogelijkheid tot invoering van de beloningsgedachte het jaarlijks reserveren van een aantal plaatsen voor deze categorie personen. Dit moet overigens niet opnieuw het karakter krijgen van een premie op wachten. Deze kredietvariant, waarbij de “verdienste” niet alleen werkervaring behoeft te zijn, kan leiden tot contingentering van beschikbare plaatsen. De kredietvariant kan ook in een gewogen lotingssysteem gehanteerd worden.

In het eerste advies heeft de commissie de aanbeveling gedaan om uitgelote studenten, die met succes na één studiejaar een propedeutisch examen in de studie van hun tweede of derde keuze hebben afgelegd, bij herhaalde deelname aan de lotingsprocedure één categorie hoger in te delen. Hierbij zou dus na een goede propedeuse een kansverhoging geboden worden. Deze aanbeveling had betrekking op de voor de studiejaren 1977-1978 en 1978-1979 toe te passen toelatingscriteria, voor welke jaren in grote lijnen het huidige toelatingsstelsel gehandhaafd zal blijven. Dit betekent tevens, dat het kiezen van parkeerstudies in deze jaren op grote schaal zal blijven voorkomen. Vanuit het gezichtspunt van de uitgeloten voor een n.f.-studie kan het kiezen van een parkeerstudie in de huidige situatie als een rationele strategie worden beschouwd. Voor de langere termijn wil de commissie deze aanbeveling niet handhaven, daar het kiezen van parkeerstudies te zeer bevorderd zou worden en omdat de totale inschrijvingsduur van de betrokken student hierdoor langer wordt (zie ook 3.1.).

2. Sociale criteria-variant

Ook zou een contingent plaatsen gereserveerd kunnen worden voor gegadigden, van wie de toelating op grond van sociale criteria wenselijk wordt geacht. (Bijvoorbeeld een aantal studenten uit ontwikkelingslanden en politieke vluchtelingen). Toelating om deze reden kan worden aangeduid met de term positieve discriminatie.

2.10. Hardheidsclausule

Contingentering van plaatsen zoals hiervoor aangegeven, kan worden vergeleken met de regeling in het huidige toelatingsstelsel van het beroep op de zg. hardheids-clausule. Een beperkt aantal plaatsen is nu gereserveerd voor diegenen die zijn uitgeloot, maar voor wie deze gedwongen afwijzing op grond van zeer bijzondere indicaties welhaast onoverkomelijke problemen met zich meebrengt. Dit beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Commissie Aanmelding en Plaatsing a.s. eerstejaarsstudenten, terwijl bij een negatieve beslissing van deze commissie nog beroep mogelijk is bij de Commissie van Beroep aanmelding en plaatsing studenten.

Er zijn geen vaste normen voor de beoordeling van beroepen op de hardheidsclausule. Wellicht kan contingentering van een aantal plaatsen voor bepaalde groepen een middel zijn om meer te expliciteren op welke gronden het beroep op de hardheidsclausule succes kan hebben. De commissie beveelt de publicatie aan van een lijst van de criteria, die genoemde commissies hanteren. Tevens zouden de instanties die de beroepen moeten behandelen dan meer houvast hebben bij de beoordeling van de bezwaarschriften tegen afwijzing voor een numerus fixus-studierichting.

In het huidige systeem wordt bij iedere fixux-riohting 4% van de plaatsen gereserveerd voor de toepassing van de hardheidsclausule.

Er zijn aanwijzingen, dat dit percentage voor sommige studierichtingen voldoende is om onbillijkheden weg te nemen, terwijl het quotum voor andere studierichtingen te klein is.

Herkansing en alternatieven voor afgewezen gegadigden.

3.1. Herkansingen na afwijzing voor een n.f.-studierichting

De gelegenheid tot herkansing na afwijzing bij een selectieproecedure heeft verscheidene aspecten, waarop hierna wordt ingegaan. Dat er een mogelijkheid tot herkansing moet zijn is algemeen geaccepteerd en in overeenstemming met billijkheideoverwegingen. Wanneer wij ervan uitgaan, dat als hoofdprocedure een lotingssysteem gehanteerd wordt, kan op de volgende vormen van herkansing gewezen worden:

  1. Landelijke toets
    Bij de instelling van de commissie heeft staatssecretaris Klein verzocht de volgende gedachte in de overwegingen te betrekken: “Gedacht kan worden aan een systeem waarbij van het aantal voor een numerus fixus-studierichting beschikbare plaatsen na aftrek van enkele percenten voor zogenaamde hardheidsgevallen, een groot contingent – bijvoorbeeld 80% – wordt toegewezen via een integrale of gewogen loting, waaraan betrokkenen slechts eenmaal zullen kunnen deelnemen, en de overige plaatsen – hier 20% – via een voor elke n.f.-studierichting op advies van de betrokken sectie van de Academische Raad vast te stellen landelijke toets, waaraan na uitloting en bij herhaling kan worden deelgenomen. De onzekerheid welke wordt veroorzaakt door het herhaald meeloten zou hiermee worden vermeden, terwijl via de landelijke toets aanleg en motivatie tot uitdrukking zouden kunnen komen voor degenen die zich daaraan weisen te onderwerpen”.
    In dit systeem zou dus aan uitgelote studenten een herkansing via een examenprocedure worden geboden. In het eerste advies, dat betrekking had op de studiejaren 1977-1978 en 1978-1979, noemde de commissie een aantal bezwaren, die naar haar mening aan de toepassing van de landelijke toets zijn verbonden. Deze nadelen komen vooral tot uiting in de omstandigheid, dat een dergelijke toets te sterk het karakter zou dragen van een vergelijkend toelatingsexamen.

    Hieraan kan nog worden toegevoegd, dat te verwachten valt, dat de uitgeloten met de hogere eindexamencijfers bij deelname aan de landelijke toets beslag zullen weten te leggen op de plaatsen die voor de aanvullende procedure beschikbaar zijn. Het ligt nl. in de lijn der verwachting, dat de stof waarover de landelijke toets wordt afgenomen, inhoudelijk niet verder kan gaan dan eindexamenstof v.w.o.

    Dit betekent, dat de gegadigden met de hoogste eindexamencijfers voor het merendeel worden toegelaten, nl. òf bij de lotingsprocedure òf via aanvullende procedure. Een dergelijk resultaat zou ook op minder omslachtige en kostbare wijze bereikt kunnen worden. Er wordt op geattendeerd, dat in een stelsel van gewogen loting de hoger geplaatste categorieën reeds een grotere kans op inloting hebben.

    De commissie meent,dat reële alternatieven in plaats van de landelijke toets om de 20%-plaatsen op te vullen niet aanwezig zijn. Zij zou daarom de voorkeur willen uitspreken voor de toepassing van één toelatingsprocedure, die zoveel mogelijk voor allen gelijk is.

  2. Verhoogd rangnummer Als een tweede vorm van herkansing zien wij het verhogen van het rangnummer bij de volgende deelname aan de toelatingsprocedure. In feite is er dan sprake van een wachtlijstsysteem. In het voorgaande (zie 2.6) zijn de hieraan verbonden bezwaren reeds genoemd.
  3. Herhaald loten
    In de derde plaats kan men denken aan een onbeperkte deelname aan de lotingeprocedure, waarbij herhaalde deelname geen verhoogde kans oplevert. Voor dit systeem, dat wij uit de huidige praktijk kennen, heeft de commissie een voorkeur. Een veelgenoemd bezwaar tegen het stelsel is, dat het het kiezen van “parkeerstudies” in de hand werkt. Inderdaad zal ten gevolge van de afwijzing voor een n.f.-studierichting een druk ontstaan op min of meer verwante studierichtingen. Vanuit het oogpunt van een efficiënte verdeling van de voor het w.o. beschikbare middelen, kan men het kiezen van parkeerstudies als ongewenst beschouwen. Het geld, dat voor de bekostiging van de parkeerstudie wordt uitgegeven, is weinig zinvol besteed, wanneer de student na verloop van tijd wordt toegelaten tot de n.f.-studierichting van zijn keuze. Dit klemt te meer, wanneer de parkeerstudie met weinig interesse gevolgd wordt. Voorts wordt daarmee een verlenging van de inschrijvingsduur in de hand gewerkt. Men zou hier kunnen spreken van strijdigheid met de strekking van de wet herstructurering w.o., die mede tot doel heeft de inschrijvingsduur te beperken. Niettemin biedt de wet herstructurering w.o. op dit punt een oplossing. De mogelijkheid tot omzwaaien van een parkeerstudie naar een n.f.-studierichting wordt door de bepalingen van deze wet beperkt, hoewel niet geheel onmogelijk gemaakt. Hierdoor behoeft naar de mening van de commissie voor de langere termijn minder zwaar getild te worden aan de bezwaren verbonden aan de mogelijkheid tot een in principe onbeperkte deelname aan de toelatingsprocedure.
    Artikel 77 ter lid 5 van de Wet w.o., dat krachtens de invoeringsbepalingen van de wet herstructurering w.o. voor het eerst voor het studiejaar 1978-1979, dan wel voor het studiejaar 1979-1980 dient te worden toegepast, luidt thans aldus:

    “Ingeval een student tijdens het eerste dan wel het tweede jaar van zijn inschrijvingsduur een studierichting in een andere faculteit, interfaculteit, afdeling of tussenafdeling dan wel in nader in het academische statuut aan te wijzen gevallen binnen de faculteit, interfaculteit, afdeling of tussenafdeling kiest dan die, waarvoor hij reeds is ingeschreven, wordt, onder aftrek van de reeds door hem aan inschrijvingsduur verbruikte tijd, zijn inschrijvingsduur voor de propedeutische en de doctorale fase in totaal van de nieuw gekozen studierichting met een door het college van curatoren dan wel het bestuur van het interuniversitair instituut te bepalen termijn van ten hoogste een jaar verlengd. Het bepaalde in de slotzin van artikel 76 bis, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Ongeacht het aantal malen, dat de student van deze keuzemogelijkheid gebruik maakt, bedraagt de verlenging voor hem in totaal ten hoogste een jaar”.

    Wanneer een (parkeer)student tijdens het eerste of tweede jaar van zijn inschrijvingsduur omzwaait, kan hem dus maximaal een jaar verlenging van de inschrijvingsduur worden toegekend. De reeds verbruikte inschrijvingsduur wordt in mindering gebracht op de totaal aan de student toegestane inschrijvingsduur. Dit heeft tot gevolg, dat een uitgelote student, die een parkeerstudie begint, niet ongelimiteerd aan de toelatingsprocedure kan deelnemen. Door de omstandigheden zal hij als regel gedwongen worden van herhaalde deelname af te zien.

    In concreto kan gesteld worden, dat de uitgelote student, die een parkeerstudie begint, daarna nog twee maal aan de toelatingsprocedure kan deelnemen. Wordt hij tijdens zijn eerste inschrijvingsjaar bij zijn eerste herkansing toegelaten, dan kan hij zijn studie van eerste voorkeur in de normale tijd volgen. Wordt hij bij de tweede keer toegelaten, dan is hij genoopt zijn studie van eerste voorkeur binnen een verkorte inschrijvingsduur af te leggen. Wordt hij echter ook dan afgewezen, dan is de voor de hand liggende mogelijkheid de parkeerstudie voort te zetten. Voltooiing van de n.f.studie binnen ed daarna resterende inschrijvingsduur is immers praktisch onhaalbaar.

    Verwacht mag daarom worden, dat door de toepassing van de herstructureringsbepalingen het zonder restricties kiezen van een parkeerstudie niet meer zal voorkomen.

    Belangrijk acht de commissie het ook, dat het toelatingsrecht tot n.f.-studierichtingen, door in principe de mogelijkheid tot onbeperkte deelname aan de toelatingsprocedure te laten bestaan, niet nog verder wordt ingeperkt. Dat in beginsel het recht op toelating blijft bestaan, wordt blijkbaar ook door de meest betrokkenen, de v.w.o.-abituriënten, als billijk ervaren. Dit mag afgeleid worden uit de enquête onder de leerlingen van 6-v.w.o. (zie bijlage).

3.2. Alternatieven ma afwijzing voor een n.f. studierichting

Wanneer de toelating tot bepaalde studierichtingen beperkt wordt en dit voor langere tijd het geval is, moeten er voor de afgewezen gegadigden goede alternatieven zijn.

Dit onderwerp behoort weliswaar strikt genomen niet tot de selectie-problematiek , maar de aanvaardbaarheid van de toelatingsbeperking is mede afhankelijk van de aanwezigheid van reë:le alternatieven.

Wat voor mogelijkheden staan nu in concreto open voor de a.s. student, die zich de toegang tot een n.f.-studie ontzegd ziet?

Uiteraard kan de niet-toegelaten student afzien van verdere studie en een betrekking in het maatschappelijk leven zoeken. Als alternatieven voor verdere studie dienen zich aan:
1. Een andere universitaire studie zonder toelatingsbeperking
2. Een h.b.o.-studie.

  • ad 1.Vanuit de huidige situatie bezien zijn er voor de student, die niet wordt toegelaten tot de n.f. studie van zijn keuze, een ruim aantal alternatieve studierichtingen, waarvoor de toelating niet beperkt is.
    Een complicatie kan gevormd worden door de omstandigheid, dat het gekozen vakkenpakket wél aansluit bij de n.f. studierichting van eerste keuze, maar niet bij de alternatieve studierichting.

    Dit zou des to zwaarder gaan wegen, naarmate het aantal studio-richtingen met een numerus fixes zou worden uitgebreid.

    Ook op dit punt zal een goede voorlichting bij de keuze van de vskkenpakketten over de mogelijkheden die een bepaald vakkenpakket voor een w.o.-studie biedt van nut kunnen zijn.

    In leder geval is van belang, dat de keuze van de alternatieve studie gemotiveerd is.

  • ad 2. Denkbaar is, dat een niet-toegelaten kandidaat opteert voor een h.b.o.-opleiding, die verwant is aan de gekozen numerus fixus-studierichting. Een extra probleem hierbij is echter, dat de procedures voor aanmelding en plaatsing voor w.o. en h.b.o. in tijd en procedure niet correleren.Overigens is in de huidige situatie een grote overloop van n.f.- studierichtingen naar het h.b.o. weinig waarschijnlijk

4. Conclusies en aanbevelingen.

  1. Een numerus fixus kan noodzakelijk zijn vanvege een beperkte maatschappelijke behoefte aan afgestudeerden en, eventueel in samenhang hiermee, wegens de hoge kosten verbonden aan een bepaalde studierichting.
  2. Het verdient aanbeveling dat de capaciteit van een studieriohting wordt berekend en vastgesteld op grond van vaste en openbare maatstaven, gehanteerd door een onafhankelijke instantie.
  3. De omnivalentie van het v.w.o.-diploma kan bij de toelating tot n.f.-studierichtingen tot onbillijkheden leiden. De commiesie beveelt aan om gegadigden met een grote deficiëntie in het vakkenpakket niet aan de toelatingsprocedure to laten deelnemen.
  4. Het handhaven van de bestaande grote versohillen in toelatingsregelingen tussen w.o. en h.b.o. is ongewenst.
  5. Een landelijk uniform toelatingssysteem verdient de voorkeur boven een differentiatie van de selectie per studierichting.
  6. Een systeem, waarbij de toelatingebeslissing wordt uitgesteld tot het einde van het eerste studiejear is in hoge mate ongewenst.
  7. De hoofdkeuze van een toelatingsmodel gaat tussen numerieke en wat personen betreft ongekwalificeerde toelating of een kwalificerende toelating. Deze keuze wordt voor een belang-rijk deel bepaald door de politiek-maatschappelijke overwegingen die daarbij gelden.
  8. In verband met het gestelde onder punt 7 kunnen bij de toelating tot n.f.-studierichtingen twee varianten van toelatingsprocedures worden toegepast: gelijke kansen-variant en de rendements-variant. Tussen deze varianten zijn mengvormen mogeliik, zoals een systeem van gewogen loting, voor welk systeem de commissie een voorkeur heeft.
  9. Naast de hoofdprooedure, b.v. een systeem van gewogen loting, dient een bijprocedure to bestaan. De bijprocedure kan gebruikt worden om grove onbillijkheden van de working van de hoofdprocedure weg te nemen (hardheidsclausule) en om eventueel de kans op toelating van bepaalde groepen te verhogen.
  10. De commissie beveelt aan om de thans bestaande mogelijkheid van onbeperkte deelname aan de toelatingsprocedure te handhaven.
  11. Het bestaan van reële alternatieve studiemogelijkheden voor afgewezen gegadigden is van het hoogste belang. Wtnneer er geen of te weinig alternatieven bestaan valt een numerus fixus in feite niet te rechtvaardigen.




W. K. B. Hofstee en P. M. L. Trommar (oktober 1976). Selektie en loting: meningen van VW0-eindexaminandi. Heymans Bulletins HB-76-251-EX. Als bijlage toegevoegd aan eindadvies van de Commissie-Warries. [Ik geef hier alleen de transcriptie van de samenvatting. Het onderzoekrapport geeft veel meer informatie, maar de data in de samenvatting zijn de gegevens waar het vooral om gaat in het advies. BW]

Samenvatting

Op initiatief van de Commissie Toelatingscriteria wrden de meningen van 2313 zesde-klassers VWO gepeild m.b.t. selektie- en lotingsprocedures in geval van numerus fixus. Op een open vraag naar de beste procedure kwame:n veel en uiteenlopende antwoorden, waarbij integrale dan wel gewogen loting het hoogst scoorden. Bij een keuze tussen integrale loting, integrale selektie, en gewogen loting waren de antwoorden, resp. voor de totale groep en voor de 225 scholieren die van plan zijn medicijnen, tandheelkunde, diergeneeskunde of farmacie te gaan studeren:

1. integrale loting    49%   38% 
2. integrale selektie   8%    6% 
3. gewogen loting      44%   56%  
              100% = 2313   225
           

Naarmate voorts de scholieren bij overgang 5-6 hogere cijfers hebben hehaald gaat hun voorkeur meer uit naar gewogen loting en minder naar integrale loting. Integrale selektie op eindexamencijfers vindt nergens veel aanhang.

Wanneer een selektieve propedeuse of een andere regeling waarbij op studie-specifieke vakken zou worden geselekteerd als keuzemogelijkheid was aangeboden zou waarschijnlijk een niet to verwaarlozen percentage leerlingen daarvoor hebben hebben. gestemd. Datzelfde geldt voor een regeling waarbij uitgeloten voorranghebben. Een procedure waarbij omgekeerd uitgeloten niet meer zouden mogen meeloten zou weinig weerklank vinden.




Literatuur

Bakker, C.J.G., Selectie voor het hoger onderwijs. Stichting F.O.M., 1975

Bakker, K., Alle geslaagden zijn geschikt, maar sommige geslaagden zijn meer geschikt dan andere , N.R.C.-Handelsblad, 11-10-1974

Bakker, K., “Gewogen loting” – onbevredigend compromis, Hleeviere Magazine, 5-7-1975

Bakker, K., Selectie of loting, N.R.C.-Handelsblad 31-5-1974 en 28-6-1974

Bakker, K., Tegen loting , U en H, jrg. 21, no. 3, 1974

Bildungswesen im Vergleich, nr. 4,1974, Darstellung dee Hochschulzugangs in ausgewählten Ländern, Dokumentation Wema.

Boppel, W. en Kollenberg, U., Hochschulzugang und Numerus Clausus, DUZ/HD, 10/75.

Brief van de staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen van 29 december 1975, aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, toelatingscriteria n.f.-studierichtingen voor het studiejaar 1976-1977, kamerst. 13 738.

De Bruyne, H.C.D., Selectie op grond van examencijfers: een fictie OvO, 1973, jrg. 2, nr. 1

De Bruyne, H.C.D., Selectie rapport Rijksuniversiteit Utrecht, 1975, R.U. Utrecht.

De Bruyne, H.C.D., en Mellenbergh, G.J., Selectie of aanpassing; kritische kanttekeningen bij het rapport “Selectie voor en in het hoger onderwijs, een probleemanalyse” van prof. dr. A.D. de Groot, U en H, jrg. 22, nr. 3, 1973.

C.B.S., Eindexamencijfers en studiekeuze der mannelijke abituriënten v.h.m.o. 1954/1955, Zeist 1962.

C.B.S. mededelingen, no’s 7618/7619 , jan. / febr. 1975, Factoren, die de studieresultaten bij het wetenschappelijk onderwijs beïnvloeden, studentencohorten 1961/62 en 1962/63

. Centrale Commissie Aanmelding en Plaatsing a.s. eerstejaarsstudenten, Jaarverslag studiejaar 1975-1976, Groningen 1975.

Commissie Algemene Vraagstukken vwo-wo, Selectieprocedure bij de hantering van een numerus fixus, AR 74/75-3.

Commissie Voorbereiding Herprogrammering Wetenschappelijk Onderwijs, (C.V.H.W.0.% Derde werkstuk: de propedeuse, juli 1974.

Council of Europe, Admission to tertiary education in Sweden, CCC/ESR (75)97.

De Groot, A.D. Integraal loten is onaanvaardbaar, U en H, jrg. 21, no. 3, 1974.

De Groot, A.D., Selectie voor en in het hoger onderwijs; een probleem-analyse (COWO), ‘s-Gravenhage, 1972.

Hazewinkel, A, Selectie van studenten, OTO, 1972.

Van der Hart, J.M., O.M.O., Enquête naar de mening van leerlingen van 5-vwo over de lotingsmethoden bij de toelating tot het hoger onderwijs, Direktor, AVS, 1976, nr. 87.

Hofstee, W.K.B., De keuze voor loting, U en H, jrg 21, no 3, 1974.

W K B., Onderzoek naar mening scholieren over numerus fixus OvO; jrg. 4, nr. 1 (1975)

Hooning, Th. J., De toelating tot de universiteit: een alternatief, Intermediair, 10e jrg. nr. 33, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Bulletin januari 1975, nr. 41, Toelatingsprocedure Universiteiten en Hogescholen-

Leppink, G.J., en Veldkamp, F.D, Alle geslaagden zijn geschikt, maar sommige geslaagden zijn meer geschikt dan andere, N.R.C. Handelsblad 11-10-1974.

Loting versus selectie/commentaren, opinies, oplossingen, Weekblad voor Leraren, 9-1-1975, 7e jrg., nr. 20, met bijdragen van Winkelman, P.H.; Meyler, F.L.; De Klerk, L.F.W.; Hettema, P.J. en Bakker, K.

Machtigingswet inschrijving studenten, Wet van 29 juli 1975, Stb. 407, kamerst. 12 929.

Nota hoger onderwijs in de toekomst, kamerst. 13 733, zitting 1975/1976. brief en nota 13733 ., of alleen de nota: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000197164

Posthumus, K, Selectie van studenten, OTO, 1972

Smolders, G.A., Selectie of loting? Er is een tussenoplossing, U en H, jrg. 21, no. 3 1974

Van Strien, H.M., Toeval of Prestatie? Afdeling Onderwijsresearch V.U., 1975

Studiegroep selectie T.H. Twente, Rapport, Enschede, 1971

Tromp, J., Loten: een zuivere keus in een troebele situatie, De Tijd, 7~3-1975.

Tromp, J. ,De studentenstop lost niets op, De Tijd, 22.11.1974.

Van der Ven, F.W.M., SchoolOordeel en loting, een nieuw voorstel, U en H, jrg. 21 nr. 5, 197 , 1974

Warries, E, De toelating tot het universitaire onderwijs, rede VOR, april 1976, Groningen.

Werkgroep selectie, Rapport, bijlage B, kamerstuk 12 274

Werkgroep selectie, Rapport, bijlage 5, kamerstuk 12 929.

Wet herstructurering w.o., Wet van 12 november 1975, Stb. 656 kamerstuk 11 281.

Wilbrink, B., Gewogen loting, COWO 1975. hier

Der Zugang zu den Hochschulen im Fall von gesamtschweizerischen Zulassungsbeschränkungen (Kontingentierung und Selektionierung) Bulletin Wissenschaftspolitik, nr. 5/1974.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s