Alle geslaagden zijn geschikt; Wiegersma 1971: eigenlijk wel mee eens

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Wiegersma trilogie

in NRC Handelsblad november 1971


Vooraf, bw

In de 60er en 70er jaren stijgt de deelname aan het hoger onderwijs nogal dramatisch. Diverse opleidingen kwamen door die stijgende aantallen in organisatorische problemen, terwijl de overheid bezorgd was over de almaar stjgende onderwijsbegroting. Er werden drie rijkscommissarissen aangesteld om het wetenschappelijk onderwijs te hervormen: bestuurlijk en qua personeel (Maris en Van Os), en de structuur van het onderwijs (Posthumus). De laatste was overtuigd dat er drastisch moest worden ingegrepen, anders zou uiteindelijk de onderwijsbegroting alle andere begrotingen wegdrukken. Zo’n vaart liep het natuurlijk ook niet, maar er was waarschijnlijk onvoldoende besef dat die stijgende deelname aan onderwijs niet een tijdelijk fenomeen zou blijken te zijn. Jaap Dronkers vatte het onderwerp op een interessante manier op, begin 90er jaren, zie Wilbrink & Dronkers (1993) Dilemma’s bij groeiende deelname aan hoger onderwijs Een verkennende studie. transcriptie

Deze beschouwingen van Wiegersma zijn interessant omdat ze nog niet zijn geframed naar de latere discussie over wel of niet rekening houden met eindexamencijfers bij numerus-fixusstudies. Wiegersma heeft het over tal van praktische problemen, maar ook over de meer principiële die vormen van academische vrijheid voor studenten betreffen. En dat is een onderwerp dat in de latere opwinding over loten definitief niet meer terug zou keren.

In het derde artikel gaat Wiegersma een aantal mogelijkheden voor uitvoeren van een numerus fixus langs, en doet dat zonder de dogmatiek van de latere ‘Werkgroep-selectie’. Hij sluit ondoelmatige mogelijkheden uit, zoals het idee om ‘ongeschikte’ kandidaten te weren: dergelijke kandidaten hebben altijd nog behoorlijke kansen van slagen (ca 50% schrijft hij). En hij sluit mogelijkheden uit die onaanvaardbaar zijn, zoals selectie op basis van sekse. En komt tenslotte uit bij loting in de eerste jaren van een numerus fixus, om tijd te winnen voor het bepalen van geschikte vormen van ‘positieve selectie’ zoals hij dat noemt.

Alsof het niet zijn idee is, formuleert Wiegersma dit mogelijke uitgangspunt:

  • Dikwijls wordt echter de vraag gesteld of niet een systeem mogelijk is, waarbij als selectieprincipe geldt: allereerst degenen te accpeteren die de beste kansen van slagen hebben.

Het is het idee dat voortdurend de discussie over loten zal gaan beheersen. En Wiegersma laat de gelegenheid voorbij gaan om erop te wijzen dat er met dit uitgangspunt diepe problemen zijn. In plaats daarvan geeft hij een nogal technische beschouwing, die op zich juist is, maar eraan voorbijgaat dat het allereerst accepteren van degenen met de beste slaagkansen een ideologisch beginsel is. Wie tegenwerpt dat het gewoon technisch is, wil ik erop wijzen dat er in het dagelijks leven vele situaties zijn waarin werkgevers soms de ‘beste’ sollicitanten bewust niet aannemen omdat zij weten dat dit mensen zijn die zich niet op hun plaats gaan voelen in de organisatie. De ideologie is het best te verduidelijken aan de hand van een ziekenhuis-analogie (met dank aan Alexander Astin, kenner-bij-uitstek van het Amerikaanse hoger onderwijs en zijn selectiemethoden). Neem in gedachten een ziekenhuis dat alleen patiënten met de beste slaagkansen (genezingskansen) in behandeling neemt. Ja? Hebt u hem?

Overigens staat de ideologie van het voortrekken van degenen met de ‘beste kansen’ bekend als meritocratie. Zoals Michael Sandel in zijn ‘The tyranny of merit. What’s become of the common good?’ uitlegt: meritocratie is goed voor de besten, maar bekommert zich niet om de overigen.

Dan hier de transcriptie van de drie artikelen. Ze zijn in Delpher beschikbaar, zeker, maar die scans zijn niet perfect, en lange artikelen lezen in Delpher kan gekmakend zijn. Vandaar. November 1971. Er is onrust in het land over her en der beperkte opleidingscapaciteit, maar een wettelijke regeling ontbreekt nog.



Sies Wiegersma (9 november1971). Studentenstudentenstop per noodgeval verwijst naar achterdeuren. NRC Handelsblad. Delpher

Studentenstop per noodgeval verwijst naar achterdeuren

door prof. DR. S. WIEGERSMA

In een drietal artikelen behandelt prof. dr. S. Wiegersma, hoogleraar in de arbeidspsychologie aan de sociale faculteit van de universiteit van Amsterdam, de practische problemen van een eventueel door te voeren studentenbeperking. Prof. Wiegersma is momenteel waarnemend rector magnificus van de universiteit van Amsterdam, omdat voor de per 1 november afgetreden rector prof. mr. A. Belinfante nog geen opvolger is benoemd. Prof. Wiegersma is pro-rector en als zodanig lid van het presidium.

De mogelijkheid is aanwezig, dat in het wetenschappelijk onderwijs een numerus clausus op wettelijke grondslag zal worden ingevoerd.

De eerste aankondigingen door de regering van de voorgenomen studentenbeperking geven een verward beeld. De Troonrede spreekt van een tijdelijke beperking van de toelating van studenten in een aantal studierichtingen bij instellingen, waar de bestaande capaciteitsgrenzen worden overschreden. Hier wordt de indruk gewekt, dat het voornamelijk zou gaan om een bevoegdheid voor de minister om ad hoc noodmaatregelen te treffen, indien op een of ander punt een onhoudbare toestand dreigt te ontstaan.

De toelichting op de begroting brengt echter de numerus clausus in verband met de te verwachten stijging in de totale studentenaantallen. Dat wekt de indruk, dat de maatregel eerder indamming dan kanalisering beoogt. Temeer omdat tevens het personeelaccrès bij het wetenschappelijk onderwijs drastisch wordt besnoeid.

Een numerus clausus als kanaliserende maatregel is vrijwel onbruikbaar. Indamming is wel mogelijk, doch dit heeft veel verdergaande consequenties dan wellicht in eerste aanleg zou kunnen worden verondersteld.

De numerus clausus als tactische maatregel is bruikbaar in het geval dat de regeling alleen beoogt de minister een bevoegdheid te geven om bij hoge uitzondering in een concreet noodgeval op wettelijke grondslag een beschermende maatregel te nemen, binnen een stelsel van onderwijsvoorzieningen die in het algemeen voldoende capaciteit bieden. In de huidige situatie is echter in zo veel gevallen de capaciteit niet meer toereikend, dat de behoefte aan beperkende maatregelen ver uitgaat boven het zeer incidentele.

Frustratie

De bezwaren verbonden aan ad hoc treffen van beperkende maatregelen, zijn niet gering. Het vrijheidsbeginsel, dat in ons wetenschappelijk onderwijs altijd centraal heeft gestaan, brengt mee dat de instellingen pas laat een inzicht krijgen in de aantallen eerstejaarsstudenten in de verschillende studierichtingen.

Daar er ook vrijheid van “omzwaaien” is, duurt het gewoonlijk tot enkele maanden na de aanvang van het studiejaar, voor een enigszins nauwkeurig overzicht mogelijk is. Dit betekent dat maatregelen ad hoc om een eventueel zeer grote toestroming tegen te houden, als regel pas op een relatief laat tijdstip genomen kunnen worden.

Op dat ogenblik betekent een eventuele uitsluiting voor degene die daardoor getroffen wordt, niet alleen de teleurstelling dat de verwerkelijking van een misschien reeds lang gekoesterd plan minstens een jaar moet worden uitgesteld, maar ook dat veelal geen goede alternatieven meer beschikbaar zijn.

Inschrijving voor het hoger beroepsonderwijs is gebonden aan een vroege sluitingsdatum. Overgang naar een andere universiteit stuit gewoonlijk op het bezwaar dat de beschikbare kamers merendeels reeds verhuurd zijn. Aanmelding voor andere studierichtingen betekent vaak dat men opnieuw in een massabeweging belandt en eventueel weer geconfronteerd wordt met beperkende maatregelen of reeds bij voorbaat kansloos is omdat men “te laat” is met aanmelding. De zeer beperkte ervaring met de dit jaar hier en daar gehanteerde wachtlijsten heeft al geleerd dat de hiervoor beschreven situatie zeer sterke frustratiegevoelens geeft. De student heeft terecht het gevoel het slachtoffer te worden van een slecht beleid.

Defensieve actie

Als bekend is dat dergelijke frustrerende situaties kunnen ontstaan, zal de student zich bezinnen op maatregelen om zijn belangen veilig te stellen. De meest voor de hand liggende tegenactie is zich meervoudig te laten registreren bij verschillende instellingen en eventueel ook studierichtingen.

Als men eenmaal collegegeld heeft voldaan, kan men zich voor een luttel bedrag (Fl. 10,- inschrijfgeld) aan een willekeurige andere instelling ook als student laten inschrijven. Aanmelding voor een studie geschiedt gratis op het betreffende instituut.

Wie ver vooruitziet, meldt zich eventueel ook nog aan bij een of meer instellingen voor hoger beroepsonderwijs. Reeds in 1971 zijn wij met het verschijnsel geconfronteerd, met name in de faculteiten der sociale wetenschappen, toen enige publiciteit werd gegeven aan de zorg over de wellicht ontoereikende capaciteit. Op zeer veel groter schaal is het verschijnsel o.a. in Engeland bekend, waar een drie- of viervoudige aanmelding eerder regel dan uitzondering is.

Voor de student heeft deze defensieve maatregel veel aantrekkelijks. Heeft men geluk dan wordt men op verschillende plaatsen geaccepteerd en kan men de beste kiezen. In andere gevallen heeft men, zo men de meest gewenste mogelijkheid niet toegewezen krijgt, veelal toch een aanvaardbaar alternatief en de weg naar het hoger beroepsonderwijs is niet bij voorbaat geblokkeerd.

De frustraties liggen hier bij de instellingen. In de eerste plaats valt een sterke stijging van de vooraanmeldingen te verwachten zonder dat men inzicht heeft in de reële vraag naar onderwijs. Zeer gemakkelijk kan men dan overgaan tot beperkende maatregelen, die achteraf veel te rigoureus of zelfs overbodig blijken. Bii het hoger beroepsonderwijs dreigt voorts het gevaar dat men geschikte kandidaten met h.a.v.o. of v.w.o. onnodig afwijst. De verleiding is immers groot allereerst kandidaten te accepteren met zeer goede cijferlijsten, die in feite alleen naar het h.b.o. zullen gaan als zij geen andere keus hebben.

Verschuiving

Studenten, die in een studierichting van hun keuze niet terecht kunnen, zullen in vele gevallen niet van studie afzien, maar een andere richting kiezen. Als de andragogiek vol is, meldt men zich voor pedagogiek, sociologie of eventueel voor geschiedenis, psychologie of rechtsgeleerdheid.

Ook dit verschijnsel is in ons land reeds waargenomen, soms in curieuze vorm. Aan de Universiteit van Amsterdam leidde in 1970 de sluiting van M.O. Duits en het slechts tot medio seotember accepteren voor M.O.-Nederlands tot een ongekend grote toestroming naar het M.O.-Spaans. Het aan een universiteit studeren was blijkbaar belangrijker dan de concrete aard van de studiekeuze of de daaraan te koppelen maatschappelijke mogelijkheden.

Op veel groter schaal levert opnieuw het buitenland voorbeelden van het verschuivingseffect. Met name geldt dit voor Duitsland, waar de beperkende maatregelen nog per instelling en studierichting worden genomen.

Het voorgaande leidt tot de stelling dat het ad hoc hanteren van een numerus clausus in eerste instantie voor de betrokken studenten onbillijk is en in tweede instantie tot reacties voert, die de situatie in het onderwijs in sterke mate schaden.

Men kan nog begrip hebben voor het excuus dat meer structurele maatregelen niet in één jaar voorbereid zouden kunnen worden en dat daarom voor de eerste maal volstaan zou moeten worden met kanaliserend optreden. Dat zou dan verdedigd moeten worden als de minst slechte keuze omdat het alternatief: geen enkele beperkende maatregel, nog ongunstiger werkt.

Daarna zou men echter aanstonds een struktureel beleid moeten invoeren, omdat dit als enige de mogelijkheid biedt een tegenwicht te vinden voor de hiervoor genoemde negatieve ontwikkelingen.


Sies Wiegersma (1971). Studentenstop vraagt ander studieverloop. Alleen voordeur dicht doen helpt niet. NRC Handelsblad 15-11-1991. Delpher

Alleen voordeur dicht doen helpt niet

Studentenstop vraagt ander studieverloop

door prof. DR. S. WIEGERSMA

Studiebeperking als noodmaatregel ter beschikking van de minister van wetenschapsbeleid telkens, wanneer ergens noodsituaties optreden, schept verwarring bij de studenten en in de universiteiten en geeft geen wezenlijke oplossing van het probleem.

Een wezenlijke oplossing is een struktureel beleid gebaseerd op het tertiair onderwijs als één samenhangend systeem. Binnen dat systeem is een beperkte capaciteit aanwezig. Ik ga er hier aan voorbij of de nodige beperkingen een gevolg zijn van onvoldoende beschikbare mensen of middelen, dan wel of men principieel de capaciteit meer op de maatschappelijke vraag naar afgestudeerden dan op die naar studieruimte wil afstemmen. Ik ga er vanuit dat het mogelijk is de capaciteit te kwantificeren, ook al kan dit in verhand met het ontbreken van voldoende objectieve normen, voorlopig slechts op zeer grove wijze.

De opgave is dan de gegeven capaciteit op de best mogelijke wijze te benutten, waarbij gestreefd wordt naar een situatie, waarin een zo groot mogelijk aantal mensen een voor hen bevredigende studiekeuze kan doen. Aanvaard moet dan echter worden dat deze keuze niet altijd de eerste keuze kan zijn. Wezenlijk doet men daarmee afstand van het traditionele vrijheidsbeginsel, dat ieder die de vereiste toelatingsdiploma’s bezit. volledig vrij is in zijn studiekeuze. Dit beginsel wordt nu niet slechts aangeknaagd, zoals bij een maatregel ad hoc geschiedt, maar in feite vervangen door een allocatieprincipe, dit is door een wettelijk bevoegde instantie toewijzen van een plaats aan een instelling in een door deze instantie bepaalde studierichting.

Centrale registratie

Wil men voorkomen, dat men overvallen wordt door ongewenste reacties dan zal men zeer vroegtijdig de werkelijke verhoudingen moeten kennen. Dit impliceert een centrale registratie van allen, die voornemens zijn een studie te beginnen, met vastlegging van hun studiewensen. Het instellen van plaatsingscommissies voor de grotere studierichtingen afzonderlijk is niet voldoende, omdat er dan geen rekening mee wordt gehouden dat studenten zich voor verschillende studies melden en dus meermalen worden geregistreerd. De activiteiten van alle plaatsingscommissies moeten worden gecoördineerd. Centrale registratie dus.

Omdat bij plaatsgebrek verwacht kan worden dat velen voor meer dan één studie zullen kiezen, is het ook nodig dat een voorkeursvolgorde wordt aangegeven. De thans reeds bestaande plaatsingscommissies (voor biologie, geneeskunde, psychologie en tandheelkunde) kennen dit systeem al ten aanzien van de voorkeur voor een universiteit. Er wordt dan naar gestreefd zoveel mogelijk een toewijzing overeenkomstig de eerste voorkeur te geven, evenwel is een afwijkende beslissing niet altijd te vermijden.

Als de som der eerste voorkeuren voor een studierichting groter is dan de totale capaciteit, zal in een aantal gevallen toewijzing van een tweede voorkeur noodzakelijk zijn, eventueel zelfs van een derde alternatief. Uiteraard is dit niet ideaal, omdat de motivatiesterkte van een eerste keuze gemiddeld groter is dan die van volgende keuzen. Evenwel is bij gelimiteerde capaciteit dit bezwaar moeilijk te ondervangen.

Omzwaaien

Een volgende consequentie is dat de vrijheid van “omzwaaien” eveneens aan banden zal moeten worden gelegd, omdat deze onvervulbare eisen stelt aan dezelfde beperkte opleidingscapaciteit. Er zou een al te gemakkelijke ontsnappingsweg aanwezig zijn als men, na voor een willekeurige studierichting aanvaard te zijn, zonder restricties een andere studiekeuze zou kunnen doen.

Men ontkomt er dus niet aan ook de “omzwaaiers” in de allocatieprocedure te betrekken. Evenwel betekent ook dit een betrekkelijk diepe ingreep in bestaande vrijheden. Bekend is, dat er in het laatste half jaar van het préuniversitaire onderwijs nog velen zijn die van voorkeur veranderen. Voert men de verplichting in zich vroegtijdig voor het tertiaire onderwijs te laten registreren met het oog op plaatstoewijzing, dan impliceert dit dat er een aanzienlijk percentage gegadigden is dat reeds van voorkeur veranderd is voor de studie begint. Nauwkeurige gegevens hierover zijn niet bekend; uit incidentele waarnemingen wordt hier de schatting gegeven dat het vermoedelijk meer dan 20 procent van de studenten betreft.

Spijtoptanten

Direct na het begin van het studiejaar komt een nieuwe groep spijtoptanten, opnieuw in grote aantallen. Ter illustratie: van de circa 425 studenten die zich in het cursusjaar 1970/1971 aan de Universiteit van Amsterdam bij de subfaculteit psychologie meldden voor deelname aan de propedeutische opleiding, heeft rond 25 procent aan geen enkel tentamen deelgenomen.

In enkele gevallen kan dit een onderbreking door persoonlijke omstandigheden betekenen, maar in overgrote meerderheid betreft het studenten, die reeds spoedig van voornemen veranderden. Het proces van omzwaaien gaat ook na het eerste jaar door, maar in trager tempo. De frequentie varieert per studierichting Over het gehele wetenschappelijk onderwijs wordt wel geschat dat zeker éénderde van alle ingeschrevenen één of meermalen van richting verandert.

Duidelijk is dat een numerus clausus hierin een radicale verandering brengt. Ten dele kan men dit als een voordeel beschouwen, in zoverre dat een barrière wordt opgeworpen tegen al te lichtvaardige studieplannen. Anderdeels brengt het ook grote bezwaren mee, omdat de mogelijkheid om gemaakte fouten te herstellen wordt verminderd. Daarom brengt invoering van een numerus clausus de noodzaak mee, zich op het probleem van de omzwaaiers te bezinnen en om oplossingen te vinden voor de moeilijkheden die in samenhang hiermee ontstaan.

Niet spijbelen

Een niet altijd noodzakelijke, maar vaak wel onvermijdelijke consequentie van een numerus clausus is de beperking van vrijheid van inrichting van de studietijd. Waar de capaciteit wordt bepaald door de beschikbare praktikumruimte, zal men moeilijk kunnen accepteren dat studenten moeten worden geweigerd, omdat anderen de voor hen gereserveerde ruimte ondoelmatig gebruiken.

De traditionele vrijheid om naar welgevallen al of niet aanwezig te zijn, is dan niet meer aanvaardbaar. Reeds thans komen regelingen voor, die inhouden dat studenten, die, behoudens overmacht, meer dan een enkele maal wegblijven, van een praktikum worden verwijderd. Wat nu nog uitzondering is, zou onder een numerus clausus regel worden.

Ook hier grijpen de maatregelen gemakkelijk dieper in. Het komt nogal eens voor dat toelating tot praktika samenhangt met de vorderingen in het meer theoretische deel van de studie, in het bijzonder het slagen voor tentamina. Ook daarvoor kan dan gaan gelden dat men verplicht is zich aan een bepaald tijdschema te houden. In het algemeen maakt een numerus clausus de inrichting van de studie dus schoolser.


Sies Wiegersma (16 november1971). Studiebeperking gaat niet samen met studievrijheid. Capaciteit structureel probleem van het hele tertiaire onderwijs. NRC Handelsblad 16-11-1971. Delpher

Capaciteit structureel probleem van hele tertiaire onderwijs

Studiebeperking gaat niet samen met studievrijheid

door prof. DR. S. WIEGERSMA

De bedoeling van de minister van wetenschapsbeleid om een beperkend instrument te krijgen, waarmee in de aantallen studenten op naar tijd en plaats flexibele wijze kan worden ingegrepen, als zich noodsituaties dreigen voor te doen, lijkt op het eerste gezicht aantrekkelijk. Evenwel heeft het op enigszins belangrijke schaal gebruik maken van zo’n bevoegdheid consequenties voor het gehele tertiaire onderwijs, in de zin dat overal spanningen, zo niet chaos, ontstaan. Zelfs is het niet onwaarschijnlijk dat deze reacties reeds vooritlopend op verwachte maatregelen zullen optreden.

Het enige redelijke antwoord op deze problematiek is, het capaciteitsvraagstuk niet te zien fals een verzamelen van incidentele knelpunten. maar als een structurele moeilijkheid van het totale tertiaire onderwijs.

Wil men de zaken niet op de oude wijze op hun beloop laten, hetgeen zeer grote financiële offers zou vragen en bovendien naar veler mening desondanks tot een onhoudbare situatie zou voeren, dan is een regulerende maatregel van structurele aard onvermijdelijk. Deze heeft echter vergaande consequenties. Het is goed deze consequenties onder ogen te zien, opdat deze bewust worden aanvaard.

In het geding is niet meer of minder dan de eeuwenoude filosofie van de academische vrijheid, die overgegaan is op ons wetenschappelijk onderwijs en in zekere zin ook uitstraalt naar het hoger beroepsonderwijs. Wij staan thans voor de keuze tussen het behoud van deze vrijheid met alle consequenties van dien, waarvan het de vraag is of wij deze nog zullen kunnen dragen en het opgeven van deze vrijheid in een nieuwe conceptie van het tertiair onderwijs, aangepast aan de huidige maatschappelijke verhoudingen.

Selectie

Bij een beperkte toelating tot de studie is een van de belangrijkste problemen de selectie, als het aantal aanmeldingen het getal der beschikbare plaatsen overtreft. Men kan dit doen door ieder een gelijke kans te geven en het lot te laten beslissen. Dat is niet het slechtste systeem: het is in ieder geval beter dan plaatsing in volgorde van aanmelding of plaatstoewijzing mede op grond van maatschappelijke kenmerken – onverschillig of daarbij kinderen van welgestelden, dan wel van boeren en arbeiders voorrang krijgen. Dikwijls wordt echter de vraag gesteld of niet een systeem mogelijk is, waarbij als selectieprincipe geldt: allereerst degenen te accpeteren die de beste kansen van slagen hebben. Een negatieveselectie, die in de eerste plaats beoogt degenen te elimieren, die nagenoeg kansloos zijn is praktisch niet te realiseren. In feite: de categorieën studenten met de minst gunstige prognose, zoals wij deze op grond van de beschikbare voorspellers kunnen vormen, hebben bij vele studierichtingen toch nog altijd rond de 50% kans van slagen.

Alleen bij enkele bekend moeilijke studies is een wat scherper differentiatie mogelijk, evenwel betreft het da vaak groepen die numeriek weinig weinig betekenen omdat degenen met ongunstige prognose merendeels reeds bij voorbaat door de zwaarte van de studie worden afgeschrikt.

Als men gaat selecteren op grond van kansen dan zal dit altijd een positieve selectie moeten zijn, die beoogt degenen te kiezen, die een zo gunstig mogelijke kans van slagen hebben. Men kan in verschillende gevallen groepen studenten aanwijzen bij wie de kansen van slagen, volgens de thans geldende normen, in de orde van 85 pct liggen.

Karakter

Ook als men besluit tot een positieve selectie, is de zaak nog verre van eenvoudig. In de eerste plaats is niet ieder selectiemiddel aanvaardbaar, ook al is het betrekkelijk effectief.Een eenvoudig voorbeeld is het gegeven over sekse. Het is algemeen bekend dat het percentage vrouwen, dat een studie niet voltooit, om voor de hand liggende redenen vrijwel altijd veel hoger is dan het percentage mannen. Maar hoewel het sekse-gegeven goed differentieert, zou het maatschappelijk onaanvaardbaar zijn er voor de selectie gebruik van te maken.

Voorts is niet ieder differetiërend gegeven ook in een selectiesituatie effectief. Informatie van karakterologische aard kan in veel opzichten het beste worden verkregen met behulp van procedures, waarin zelfbeoordeling een rol speelt. Een dergelijke werkwijze is uiteraard kwetsbaar, omdat deze zich gemakkelijk leent voor falsificatie. [sic] Voorts kan uit praktische overwegingen geen gebruik worden gemaakt van gegevens, die alleen in tijdrovend individueel onderzoek zouden kunnen worden verzameld.

Bij sommige instellingen van hoger beroepsonderwijs, met name in de sociaal-pedagogische sector, wordt in de toelatingsselectie ook betrokken een beoordeling van de geschiktheid voor de niet-intellectuele aspecten van de studie en eventueel voor de latere beroepsuitoefening op grond van karakterologische, gegevens.

Dubieus

Een dergelijke procedure is van zeer dubieuze waarde, al was het alleen maar omdat de kandidaten grotendeels behoren tot een leeftijdsgroep waarin aanzienlijke verschillen in rijpingsgraad voorkomen, die nauwelijks aansluiten op het over enkele jaren te bereiken niveau. Het behoeft geen uitvoerig betoog dat een karakterologische selectie op grond van maatschappelijk engagement of verwante kwaliteiten onherroepelijk een verwerpelijk politiek element zou introduceren, reeds daarom omdat de definitie van deze kwaliteiten een sterk subjectief element bevat.

Een positieve selectie is tot op zekere hoogte mogelijk, maar de waarde is helaas niet zeer groot. Ook bij de best mogelijke combinatie van voorspellende gegevens zal men in de groepen met de gunstigste prognose toch nogal wat uitvallers krijgen, terwijl in zeer veel sterkere mate geldt, dat in de groepen met de minst gunstige prognose geschikte kandidaten zitten. Vooral dit laatste kan weerstanden tegen een positieve selectieprocedure oproepen. De gedachte is geopperd om aan de bezwaren tegemoet te komen door een gecombineerde werkwijze. Een deel der beschikbare plaatsruimte zou dan verdeeld worden door kandidaten, die op grond van voorspellende kenmerken boven een bepaald minimum komen, allen toe te laten. De overige plaatsen worden dan door loting verdeeld.

Systeemkeuze

De toewijzingsprocedure tenslotte is een technische aangelegenheid van groot belang, die verre van eenvoudig is, maar toch wel uitvoerbaar. Voordat de beschikbare ruimte kan worden verdeeld, zullen een aantal beleidsbeslissingen moeten worden genomen. Te denken valt daarbij aan de keuze van de selectieprincipes, aan een regeling van de positie van de omzwaaiers, aan het eventueel vaststellen van doorstroomnormen, aan een regeling van de beslissingsvrijheid van de afzonderlijke studie-eenheden over de te volgen procedure.

Rekening houdende met deze beleidsbeslissingen zal vervolgens een stelsel van beslissingsregels moeten worden ontwikkeld, zodanig dat bij de plaatstoewijzing op optimale wijze rekening wordt gehouden met individuele verlangens en belangen.

Pas daarna kan de eigenlijke procedure worden ontwikkeld. Deze zal in ieder geval een aanzienlijke organisatie vergen, omdat de gegevens van tienduizenden belanghebbenden snel moeten worden verwerkt. Een aanzienlijke mate van automatisering is daarbij onvermijdelijk. De ontwikkeling van de nodige “soft-ware” wordt dan ook een belangrijk aspect.

Wil men deze weg ingaan dan lijkt het overigens voor de hand te liggen de procedure niet onmiddellijk in alle verfijningen te verwerkelijken. Ook als men bijvoorbeeld uiteindelijk voor positieve selectie kiest, is het waarschijnlijk beter met een lotingssysteem te werken, dat veel minder complicaties meebrengt, gedurende de periode dat men de organisatorische kinderziekten van het systeem nog moet genezen.


Dit is het laatste van de drie artikelen van prof. Wiegersma over de praktisch problemen van een eventueel door te voeren studentenbeperking. De eerste twee artikelen verschenen ln de krant van 9 en 15 november.

One thought on “Alle geslaagden zijn geschikt; Wiegersma 1971: eigenlijk wel mee eens

  1. Pingback: Alle geslaagden zijn geschikt; 1971: stop wachtlijsten en loting, vraagt De Brauw | Fair schooling & assessment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s