Alle geslaagden zijn geschikt; maar wie mag in 1973 naar de universiteit? Wijnen.

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Wynand Wijnen

in Universiteitskrant Groningen 31 januari 1973


Vooraf, bw

  • Voorzover mij bekend, is dit de eerste keer dat het idee van een gewogen loting als compromis is geopperd (tegen het einde van het stuk). Mocht ik dit verkeerd hebben, laat mij weten wie met dit idee eerder op de proppen is gekomen (indruk, er is ongetwijfeld in Groningen eerder over gesproken, in diverse wandelgangen). BW] Verder geeft dit uitvoerige artikel informatie over het gepieker van diverse commissies en van onderwijsminister Van Veen, hoe een vervolg te geven aan het eerste jaar van de machtigingswet, met directe toelating van de 7½-plussers en loten voor de overigen.Wijlen Wynand Wijnen was destijds hoofd van het Centrum voor Onderzoek van het Wetenschappelijk Onderwijs van de universiteit Groningen, het COWOG. Wijnen zou korte tijd later verkassen van Groningen naar Maastricht, om daar aan de medische faculteit het probleem-gestuurd onderwijs op te zetten. In de 90er jaren was hij betrokken bij tal van onderwijsvernieuwingen, waaronder die van het studiehuis (met Clan Visser ‘t Hooft). Ik had in 1971 een stevige aanvaring met Wijnen, over een stellingname van mij over selectie; de gelegenheid om dat eens goed uit te praten resulteerde in een uitstekende verstandhouding . En in een uitnodiging om te promoveren op een toetsonderwerp, maar ik was al gestrikt door Willem Hofstee. Afijn, voor mij lag zo’n hectiek in het verschiet, dat die promotie er nooit van is gekomen, maar wel een prachtig eerste hoofdstuk


Wynand Wijnen (31 januari 1973). Wie mag in 1973 naar de universiteit? Universiteits Krant Groningen

Nog deze week – zaterdag 3 februari a.s. – zal de Academische Raad zich buigen over een advies, dat minister van Veen graag op zeer korte termijn wil ontvangen. Het gaat over de selektieprocedure, die in het komende studie jaar zal worden toegepast hij de studierichtingen met een beperkte toelating.

Het aantal stukken, dat de leden van de Academische Raad ter beschikking staat, is vooralsnog te overzien. Ze bevatten echter voldoende tegenstrijdigheden om een boeiende diskussie mogelijk te maken. Of die diskussie er komt, wat het resultaat zal zijn, valt moeilijk te voorspellen. De tijd zal het leren.

De leden van de A. R. beschikken over de volgende informatie:

-Een advies van de werkgroep selektie in verband met de machtigingswet inschrijving studenten, december 1972 (Werkgroep-Wiegersma).

– Aanbevelingen van de Centrale Commissie Aanmelding en Plaatsing a.s. studenten m.b.t. het te voeren beleid voor het cursusjaar 1973-1974 en volgende jaren. ongedateerd.

– een brief van de minister, waarin advies wordt gevraagd, en waarin bovendien enkele voorkeuren worden geformuleerd, gedateerd 5-1-’73.

– een door de Dagelijkse Raad van de A. R. geformuleerde toelichting op het agendapunt, gedateerd 15-1-’73.

In dit artikel zullen de belangrijkste problemen, waarvoor oplossingen worden gezocht, nader worden toegelicht. Terwille van een zo zuiver mogelijke probleemstelling wordt de noodzaak van toelatingsbeperking hier verondersteld, althans voor een aantal studierichtingen. Hoewel de juistheid van deze veronderstelling door sommigen wordt betwist, wordt ze hier als juist verondersteld, omdat daarvoor de aan de orde zijnde problemen beter kunnen worden besproken. Gevraagd wordt dan de meest redelijke selektie-procedure in een situatie, waarin het aantal plaatsen kleiner is dan het aantal aanmeldingen.

In alle stukken wordt aangenomen, dat de te volgen procedure op een of ander tijdstip een loting noodzakelijk maakt. Over de vraag, welke kandidaten zich aan een dergelijke loting moeten onderwerpen, lopen de opvattingen nogal uiteen. Het gaat hierbij over 3 groepen kandidaten:

– de kandidaten met bijzondere omstandigheden, – de kandidaten, die in 1972 werden uitgeloot. – de kandidaten met bijzonder goede eindexamencijfers.

Kandidaten met bijzondere omstandigheden.

Afgezien van de behaalde eindcijfers werden in 1972 de volgende studenten zonder loting toegelaten:

– studenten uit andere Rijksdelen,

– studenten, die zich kontraktueel betreffende hun toekomstig werk verbinden aan de Nederlandse Staat (kontraktanten bij defensie).

– studenten, die hun militaire dienstplicht hebben vervuld.

De werkgroep-Wiegersma veronderstelt, dat deze uitzonderingen ook in 1973 zullen gelden, hoewel ze zich afvraagt, of een speciale behandeling van sommige groepen niet strijdig is met de zo gewenste billijkheid.

Ook de Centrale Commissie heeft het moeilijk met deze uitzonderingen. Zij wil de studenten, die de militaire dienstplicht hebben vervuld slechts voorrang geven indien zij hierdoor 2 studiejaren hebben verloren, De bevoorrechting van studenten uit de Rijksdelen wil deze Commissie aan een maximum aantal binden, terwijl zij de bevoorrechting van kontraktanten niet rechtvaardig acht. Omdat noch de minister noch de dagelijkse raad over deze groepen spreken, kan het feitelijk gebeuren in september erg leerzaam worden.

Indien het vervuld hebben van de militaire dienstplicht een gevolg is van doublures in het V. W. O., moet men zich minstens afvragen, of een bevoorrechting van deze groep niet strijdig is met de naderhand verdedigde bedoeling om vooral de besten op te leiden. Een extra probleem is wel, dat sommige studenten wellicht – ter wille van die bevoorrechting – besloten hebben eerst hun militaire dienstplicht te vervullen om vervolgens zonder loting toegelaten te worden. Voor deze groep zou het bijzonder zuur zijn, wanneer die uitzondering zomaar ongedaan gemaakt zou worden. Of dit extra probleem iemand het rustig slapen belet; moet overigens worden betwijfeld. Immers de datering van de voorliggende stukken laat zien, dat een rationele planning van studenten – binnen de geldende regels – ofwel onwaarschijnlijk ofwel nauwelijks wenselijk wordt geacht.

Kandidaten, die in 1972 werden uitgeloot.

Deze groep wordt door de twee meest uitvoerige adviezen tegenstrijdig bedeeld. De Centrale Commissie vindt, dat deze groep bij voorrang geplaatst dient te worden. Het argument is, dat deze studenten anders het risiko lopen meer dan één jaar te verliezen enkel en alleen door loting.

De werkgroep-Wiegersma tilt aan dit bezwaar niet zo erg. Zij vindt, dat de groep van uitgelote studenten zonder meer onderworpen moet zijn aan een volgende loting. Het argument hiervoor is de verstopte wachtlijst. Wanneer men enkele jaren voorrang zou verlenen aan uitgelote kandidaten, dan kan dit volgens de werkgroep leiden “tot een zodanige toename van de wachtlijst dat een nieuwe generatie eindexamen-kandidaten als geheel een jaar zou moeten wachten”. Dat dit probleem door een selektieve propaedeuse ontweken zou kunnen worden – zoals sommigen menen – wordt door de werkgroep betwijfeld.

Vanuit deze tegengestelde adviezen heeft de minister enkele bijzonder merkwaardige tussen-oplossingen weten te konstrueren:

– een extra loting onder de uitgelote kandidaten naar een beperkt aantal plaatsen uit het totaal. Een kandidaat, die één keer is uitgeloot, krijgt de tweede keer dus twee loten.

– een speciale toets voor de uitgelote studenten, waardoor ze zich alsnog buiten de loting kunnen presteren. Een kandidaat, die één keer is uitgeloot, krijgt de tweede keer dus een toets en een lot.

Het dubbele lot geeft uiteraard aan de uitgelote studenten een verhoogde toelatingskans en dat wijkt dan – zoals de minister zelf zegt – af van het tot nu toe door regering en ambtelijke korrespondentie ingenomen standpunt.

De toets en het lot sluit aan bij door de werkgroep-Wiegersma geïntroduceerd nieuwtje. De werkgroep stelt voor “dat de minister blijkbaar heeft begrepen, dat die speciale toets alleen bedoeld zou zijn voor leerlingen met goede prestaties in bepaalde vakken hij het eindexamen, terwijI de werkgroep uitdrukkelijk spreekt over “iedereen” en over toelating krachtens een prestatie “onafhankelijk van de uitslag van het eindexamen”. Beide oplossingen zijn overigens weinig aantrekkelijk: de eerste niet, omdat die het nodige geharrewar over het aantal beschikbare plaatsen voor uitgelote studenten in het vooruitzicht stelt, de tweede niet, omdat het niet redelijk lijkt aan kandidaten, die daarop niet hadden gerekend of die dit niet hadden verwacht, alsnog een toets voor te leggen.

Het is te hopen, dat de A. R. zich zal beperken tot de vraag: wel voorrang of niet voorrang? Men zou ook kunnen overwegen alleen in 1973-1074 – vanwege het geringe aantal aanmeldingen – voorrang te verlenen. Een moeilijkheid is dan, dat men een jaar later weer zal moeten uitleggen, waarom zoiets in het éne jaar wel en in het andere jaar niet redelijk is.

Kandidaten met bijzonder goede eindexamen-cijfers.

De werkgroep-Wiegersma adviseert studenten met een gemiddeld eindexamen-cijfer van tenminste 7½ zonder loting toe te laten, zoals dat ook in 1972 gebeurde. De Centrale Commissie geeft weliswaar hetzelfde advies, maar noemt terloops enkele serieuze bezwaren tegen deze procedure: beperkte voorspellende waarde, kans op bovenmatige prestatiedrift, kans op majoreren van cijfers, bij selektieve propaedeuse overbodig, onderwijskundige twijfels over het nut van cijfers.

Hoewel een gemiddeld cijfer van tenminste 7½ waarschijnlijk een beslissende betekenis zal blijven behouden, moet men zich toch afvragen, of dit gezien de nieuwe eindexamen-situatie wel redelijk is. Immers de nieuwe eindexamens bestaan uit vakkenpakketten, die binnen paalde randvoorwaarden vrij gekozen mogen worden. Omdat bekend is, dat voor sommige vakken gemakkelijker hoge cijfers behaald kunnen worden dan voor andere, kan de 7½-regel een jacht op hoogwaarderende vakken openen. Wanneer de hoogwaarderende vakken tevens de meest relevante zijn voor de vervolgstudie, is een dergelijke jacht minder bezwaarlijk. Maar wanneer er een mechanisme zou ontstaan, waarmee men leerlingen tot kiezen kan brengen door het geven van hoge cijfers, ongeacht de relevantie van het betreffende vak, kan dat nauwelijks een wenselijk geheel opleveren.

Maar zelfs wanneer men er geen moeite mee heeft gemiddelde eindcijfers van ongelijksoortige vakkenpakketten met elkaar te vergelijken en gelijke cijfers van verschillende scholen identiek te achten, dan nog heeft de 7½-regel zijn bezwaren.

Beoogt men met deze regel een verhoging van het rendement en bijgevolg een beter gebruik van de beschikare plaatsen, dan moet worden gekonstateerd, dat dit doel slechts in geringe mate wordt bereikt, Berekent men voor de generaties 1954-1957 – hierop baseert ook de werkgroep-Wiegersma haar advies – het effekt van de 7½-regel, dan blijkt, dat de 7½-regel het aantal kandidaatsexamens met positief resultaat voor het hele land zou hebben verhoogd met 8, dit is minder dan 1%.

Wil men op basis van de 7½-regel alsnog een beloning geven aan de studenten, die op het V.W.O. hun best hebben gedaan, dan wordt dat doel inderdaad in sterkere mate bereikt. Een vraag is wel, of het willen geven van kansen, afhankelijk van prestaties, gebaat is met een kloof bij een gemiddelde van 7½. Het zou ook mogelijk zijn een loting te organiseren, waarbij de kans op succes hoger is, naarmate het gemiddelde cijfer hoger is. In dat geval zouden ook studenten met een gemiddelde van 7, 6½ en 6 loon naar werken kunnen krijgen. Het effekt ten aanzien van een verhoogd rendement blijft ook in dit geval uiteraard beperkt.

Hoe een en ander afloopt valt moeilijk te voorspellen. Een loting voor alle gegadigden – al dan niet met verhoogde kansen – lijkt vooralsnog de meest aanvaardbare, de meest billijke, een redelijk valide, de meest objectieve, de meest doelmatige en de meest doorzichtige oplossing. Ook de werkgroep-Wiegersma stelt, dat de uiteindelijke oplossing aan deze eisen zal moeten voldoen.

Op een punt van ondergeschikt belang moet tenslotte nog even worden gewezen, omdat het tot onjuiste konklusies zou kunnen leiden. De werkgroep stelt allereerst, dat er in 1972 ongeveer 8% via de 7½-regel rechtstreeks werden toegelaten. Daaraan wordt dan toegevoegd: “Dit percentage is aanzienlijk lager dan ongeveer tien jaar geleden toen tuim 20% gemiddeld 7½ of hoger haalde (zie tabel 3)”. Voordat aan deze konstatering konklusies worden verbonden over dalend onderwijsniveau, zou men tabel 3 inderdaad moeten raadplegen. Men zou dan kunnen konstateren, dat tabel 3 gaat over een gem. van zeven en een kwart èn hoger, terwijl bovendien niet alle vakken in de berekening zijn betrokken. Zou men de gegevens opnieuw berekenen, dan blijkt, dat tien jaar geleden niet ruim 20%, maar ongeveer 13% een gemiddelde van 7½ behaalt, en dit dan op een selektie van vakken.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s