Alle geslaagden zijn geschikt; Pais wil positief discrimineren 1980

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Wilbrink & Van Dijk interview (1980). Positieve discriminatie

Student


Vooraf, bw

Een enkele opmerking vooraf, want de problematiek speelt al vanaf de regeringsverklaring van het kabinet Van Agt-Wiegel: de coalitie wil van dat loten af. Minister Pais vraagt de Werkgroep-Wiegersma, waarin ook A.D. de Groot, om een advies. En dat maakt de werkgroep in een paar dagen tijd, want het advies uit 1973 was met een enkele wijziging opnieuw bruikbaar. Daar brak wel een storm van protest over los, zoals ook over het voorontwerp van wet waarin Pais de idee&eum;n van de Werkgroep wat had geklutst met eigen inzichten. Zoals een uitgebreid artikel van Van Kemenade en Raa in Intermediair over de merkwaardige positieve discriminatie in het voorontwerp van Pais. (ik zal een transcriptie van dat artikel ook beschikbaar maken)

Waarom besteedde Wilbrink hier zoveel tijd aan? Evenals andere universiteiten, moest ook de Universiteit van Amsterdam een standpunt innemen over dat voorontwerp van wet, en dat standpunt inbrengen bij de Academische Raad die immers standaard over dergelijke zaken om advies werd gevraagd door de minister van onderwijs. Ik heb er een dik dossier aan overgehouden, want het CvB moest natuurlijk de faculteiten raadplegen, enzovoort en zo verder. Ik was dus betrokken bij zowel de inhoudelijke als de ambtelijke voorbereiding. Het is wel een dingetje, hoor: zo’n zinnetje in een regeringsverklaring brengt heel wat pennen in beweging, en er wordt me wat vergaderd. Om uiteindelijk als flop te eindigen: Pais diende uiteindelijk geen ontwerp van wet in. Zijn opvolger, Jos van Kemenade, trok de opdracht aan het Cito voor het ontwikkelen van een toelatingstoets voor geneeskunde terug. Die toets was vrijwel klaar, maar ja. (zie ook Toelatingstoets voor het wetenschappelijk onderwijs?)

Omdat politici maar een beperkt geheugen hebben, en ambtenaren er geen eigen documentatie meer op na kunnen houden in hun rolkoffertjes, kon in de 21e eeuw een omslag naar decentrale selectie worden gemaakt alsof er nooit eerder een kabinet was geweest die zoiets al eens had geprobeerd, en terug was gefloten door publiek verzet. So it goes.



Laurens Slot (augustus 1980). Dames en bolleboosjes eerst. Interview Wilbrink & Van Dijk Student p. 7-8.

“Als dit soort ‘positieve discriminatie’ ingang vindt is het hek van de dam”. De slotregel van een kommentaar in de Telegraaf over een voorstel van onderwijsminister Pais. De Telegraaf keurt een voorstel van de voormalige Telegraaf-columnist Pais af! Wie is er hier gek geworden? Is er een ‘mol’ doorgedrongen tot de hoofdredactie van de Telegraaf of heeft Pais een goed voorstel gedaan?

Niets van dat alles. De liefhebbers van slimme politieke propaganda zijn de enigen die zich op de regenachtige dagen na juli enigszins hebben vermaakt.

Op 15 juli presenteerde minister Pais zijn voorontwerp van wet dat de toelating tot stopsstudierichtingen anders moet gaan regelen. Het huidige systeem van gewogen loting moet vervangen worden. Dat had al in de regeringsverklaring gestaan. In dat systeem tellen hoge eindexamencijfers maar een beetje mee in de loterij; mensen met hoge cijfers hebben een iets betere lotingskans.

De prestaties van de kandidaat tellen niet voldoende mee, had de VVD-er Pais al vaak laten weten, Daar is nu wat aan gedaan. In Pais’ voorontwerp is geregeld dat niet meer dan zo’n 25 procent van de plaatsen bij stopsrichtingen door loting wordt toegewezen. Vijf procent van de plaatsen gaat via een zogenaamde hardheidsclausule in het voorontwerp naar mensen die om bijzondere redenen voorrang moeten krijgen. Die mensen moeten zeer zwaarwegende persoonlijke redenen kunnen aanvoeren om voor een hardheidsclausuleplaatsje in aanmerking te kunnen komen. De overige tweederde van het totaal aantal plaatsen gaat naar de ‘allerbesten’, dat wil zeggen de mensen met de allerhoogste eindexamencijfers en de mensen die een nieuw in te voeren universitair toelatingsexamen met de hoogste resultaten afsluiten. Niemand is van te voren zeker van zijn plaats bij Pais. Zelfs de allerbesten niet. Hoge cijfers geven alleen direkte toegang tot de universiteit als ze hoger zijn dan die van anderen. De komputer rekent de gemiddelde eindexamencijfers van alle kandidaten uit en deelt van boven naar beneden studieplaatsen uit. Eerst de bollebozen, dan de bolleboosjes en zo verder totdat éénderde van de plaatsen op is. Zo’n drie weken na het eindexamen weten de besten van de klas of ze goed genoeg hebben gescoord voor direkte plaatsing.

Wie buiten Pais’ prijzen valt kan zich dan aanmelden voor een toelatingsexamen in twee vakken, Voor de huidige stopsrichtingen medicijnen, tandheelkunde en diergeneeskunde zal een examen in natuur- en scheikunde moeten worden afgelegd. Hier is het zo dat de behaalde resultaten worden gemiddeld met het eindexamen inklusief schoolonderzoek en dat de computer weer van bolleboos tot bolleboosje plaatsen toedeelt totdat opnieuw éénderde deel van de plaatsen is verdeeld. In totaal is dan tweederde deel van de studieplaatsen verdeeld onder mensen met hoge tot zeer hoge cijfers.

Tegen die procedure maakt de kommentator van de Telegraaf geen bezwaar. Het bezwaar gold de verdeling van het restant van de plaatsen. Pais is namelijk zo slim geweest te bepalen dat de helft van de bij loting te vergeven plaatsen naar vrouwen gaat. Dat ging de Telegraaf te ver “De bedoeling is goed maar het middel deugt echt niet”. De Telegraaf deinst er voor terug de ene onbillijkheid te bestrijden door elders opzettelijk een nieuwe onbillijkheid in te voeren. Oud-minister van onderwijs Van Kemenade liet al direct weten ook de bedoeling van Pais’ positieve diskriminatie-regeling niet goed te vinden. Voor de medische studierichtingen zouden voornamelijk meisjes uit hogere milieus belangstelling hebben.

Die wil de PvdA’er uit Wassenaar niet bevoordelen. Niemand heeft tot dusver opgemerkt dat Pais’ positieve diskriminatie-regeling alleen betrekking heeft op de plaatsen die onder de mindere goden worden verdeeld. Pais gaat er kennelijk van uit dat vrouwen niet in de race naar hoge cijfers mee kunnen komen dus niet op grond van examen of toetsresultaten geplaatst zullen worden en dus in de restkategorie terecht komen. Het is nog niet bekend of de vrouwen-organisaties Pais’ garantie dat minimaal 12,5% van de plaatsen naar vrouwen gaat beoordelen als een resultaat van hun streven naar gelijkere kansen of als een op sexistisch smakend snoepje. [sic]

De Amsterdamse onderwijskundige Ben Wilbrink beoordeelt Pais’ positieve discriminatie-plan als politiek wisselgeld van een valsemunter: “Het zou wel eens politiek wisselgeld kunnen zijn. Dit voorstel verdoezelt echter wel twee zeer belangrijke principiële keuzes uit het voorontwerp, namelijk of er überhaupt wel stops moeten zijn en hoe je moet selekteren als er wel stops zijn”. In een nota over de selectieproblematiek schreef Wilbrink onlangs: “Het zal duidelijk zijn dat dit voorstel tot positieve discriminatie een verwoede diskussie zal losmaken.

Dat leidt de aandacht af van andere heel principiële punten in het selectievoorstel van Pais, en dat is te betreuren omdat een studentenstop niet een gelegenheid bij uitstek is om een dergelijk ingrijpend ander beleid te introduceren.

Wilbrink tekent aan dat de vrouwen die door Pais een beetje bevoordeeld worden geen gemiddelde vrouwen zijn, die gemiddeld gediskrimineerd zijn, maar vrouwen die met succes het VWO hebben doorlopen en tot een topgroep behoren wat betreft de onderwijskansen die ze hebben gekregen. Hij wijst er daarnaast nog op dat positieve diskriminatie van de ene minderheid ipso facto leidt tot negatieve diskriminatie van andere minderheidsgroepen. Pais blijkt ook geen argumenten te hebben gegeven voor de positieve diskriminatie bij selektie in het WO. Wilbrink: “De vraag is of dit wel de geëigende maatregel is. Volgens mij kun je beter onder middelbare scholieren wat doen. Uitzoeken wat voor belemmeringen voor vrouwen daar optreden. Tijdens de universitaire studie blijkt er ook een grotere uitval onder vrouwen te zijn. Wellicht zijn crèches nodig, of intensievere begeleiding, of de mogelijkheid om de studie tijdelijk te onderbreken.”

Een gesprek met Ben Wilbrink en diens collega Tim van Dijk op het Centrum voor Onderzoek van het Wetenschappelijk Onderwijs (COWO) van de Universiteit van Amsterdam levert geen eenduidige beoordeling van het positieve diskriminatie-aspect van Pais’ voorstel op. Van Dijk zegt dat alle beetjes helpen, Wilbrink wijst erop dat dit voorstel alleen wat uithaalt als het vergezeld gaat van maatregelen die de kans voor meisjes om de eerdere horden te passeren wordt vergroot. Eens zijn beide onderwijskundigen het over de rest van het plan: We gaan terug naar de allereerste en primitiefste selektiemethodes.

In de eerste studentenstops (’72-’74) werden mensen met een eindexamencijfer van gemiddeld 7,5 of hoger direct toegelaten. Voor de overige plaatsen werd geloot. Het resultaat was een enorm verschil in plaatsingskans tussen de leerlingen met resultaten boven de 7,5 gemiddeld en de leerlingen die daar net onder bleven. In een rekenvoorbeeld dat Wilbrink bij zijn COWO-nota heeft gevoegd wordt de plaatsingskans in het voorstel-Pais voor drie kategorieën kandidaten uitgerekend. Bij vrouwelijke kandidaten loopt die kans afhankelijk van de eindexamen/toelatingstoets-cijfers op van 0,38 tot 1. Bij ex-militairen (die een streepje voor krijgen van Pais) loopt de kans op van 0,25 tot 1 en bij gewone mannelijke gegadigden loopt de kans van 0,12 tot 1. Voor de niet uit dienst komende mannen met lage cijfers wordt de kans ver-waarloosbaar klein. En als verrassing heeft Pais nog in petto dat een kandidaat maar één keer mag mee loten. Het volgende jaar weer een kansje wagen zit er niet meer in. Als het huidige systeem van gewogen loting zo zou worden veranderd dat kandidaten slechts 1 keer mogen meedraaien zouden de kansen van alle kandidaten komen te liggen tussen de 0,36 en de 0,59. Niemand wordt direct geplaatst maar er is ook niemand die een verwaarloosbaar kleine kans heeft. Deze cijfers hebben betrekking op de studierichting medicijnen. Bij diergeneeskunde lopen de extremen nog verder uiteen.

Pais laat deze cijfers wijselijk weg uit zijn voorontwerp. Ook de hele diskussie over de vraag of eindexamencijfers wel enige voorspellende waarde hebben voor resultaten op de universiteit is aan hem voorbijgegaan. Wilbrink: “Deze hele zaak komt uit de koker van de kommissie Wiegersma. Die kiest voor een politiek-ideologisch en meritokratisch uitgangspunt. Mensen moeten in staat worden gesteld zich door prestatie een recht te verwerven, zegt die kommissie. Zo’n standpunt moet niet versierd gaan worden met allerlei pseudo-wetenschappelijke argumenten. Ze zeggen er ook bij dat de prediktieve waarde gering is. Maar ze vinden gewoon dat wie kan en wil meedoen aan zo’n toets een betere kans moet hebben”.

Wilbrink citeert de kommissie in zijn rapport: “Het is wenselijk tot uitdrukking te brengen dat een toelatingsexamen niet primair een prediktief oordeel inhoudt over geschiktheid of ongeschiktheid, maar gebaseerd is op de gedachte dat toelaatbare personen door inspanning en prestatie een recht kunnen verwerven”. Volgens Wilbrink staat de middelbare scholen de gekste dingen te wachten: “Het is niet de bedoeling dat mensen extra voor die toets gaan blokken maar ze zullen het wel doen. Mensen zullen misschien wel een repetitor in de hand nemen.” Deze en eerdergenoemde overwegingen brengen Wilbrink tot de konklusie dat hier een onaanvaardbaar voorstel wordt gedaan, een voorstel dat volgens hem bovendien sterk lijkt op een soortgelijk voorstel dat in het begin van de jaren zeventig unaniem door de kamer werd afgewezen. Zijn standpunt wordt gedeeld door de contactgroep research wetenschappelijk onderwijs, waarin de Nederlandse onderwijsresearchers zich hebben verenigd. Bij gebrek aan goede argumenten voor andere selektiemethoden kiest die groep voor ongewogen loting. Moet er echter gekozen worden tussen gewogen loting en het nieuwe plan-Pais, dan gaat de voorkeur onmiskenbaar uit naar gewogen loting. Op het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling in Arnhem gaat overigens intussen het ontwikkelen van Pais’ toelatingstoetsen voor natuur- en scheikunde gewoon door. Wilbrink: “Het CITO had moeten weigeren deze toets te ontwikkelen. Dat zo’n toets intussen gemaakt wordt kan een eigen rol gaan spelen in de diskussie over de selektie. Bekend is dat het huidige CITO-bestuur de opdracht zou weigeren, als dat geen konsequenties in de personele sfeer gehad zou hebben”.

Wilbrink houdt zich in zijn rapport ook bezig met de kosten die verbonden zijn aan de toelatingstoets van Pais. Het ontwikkelen en afnemen van de toetsen gaat jaarlijks enkele tonnen kosten. De 6000 deelnemers aan de toets zullen jaarlijks echter kosten gaan maken, die Wilbrink op enkele miljoenen schat. Tegenover die kosten staat een afwezige of op zijn best minimale rendementswinst voor het wetenschappelijk onderwijs. Wilbrink: “Een veel grotere ‘rendementswinst’ zou te behalen zijn door deze kosten direkt te besteden aan een kapaciteitsuitbreiding van het onderwijs, door 10 tot 20 formatieplaatsen te kreëren, en zeg zo’n 50 gegadigden extra toe te laten”. Tim van Dijk beargumenteert zijn bezwaren tegen de door Pais voorgestelde selectiemethode vooral uit de negatieve implikaties die het plan heeft voor de externe demokratisering. Van Dijk: “Je mag maar een keer meedoen met de loting. Wie uitgeloot is moet direct een andere studierichting kiezen, zonder zich daarop te kunnen bezinnen. Zwakke leerlingen in het VWO zullen eerder geneigd zijn om maar helemaal van de stopsrichtingen af te zien. Andere zwakke leerlingen zullen denken: Kom ik doe het examenjaar gewoon twee keer; volgend jaar kom ik met hogere cijfers weg, dus nu doe ik niet mee aan het examen. Je moet daar dan wel van thuis de gelegenheid voor krijgen. Allerlei elementen van sociale selektie worden opnieuw geïntroduceerd”: Een andere vrees van Van Dijk is gelegen in het feit dat stopsfakulteiten slechts een bepaalde helft van het aanbod toelaten. Als je een eindje met Pais en Wiegersma meedenkt en ervan uit gaat dat de betere kandidaten door de selektie komen, dan impliceert dat dat de mindere studenten op de open fakulteiten terecht komen. Dan doemt al gauw het beeld van eerste en tweede klas fakulteiten op. De mensen die denken dat selektie tevens een rendementsverhoging oplevert moeten zich wel bedenken dat dan in andere fakulteiten een rendementsdaling optreedt, aldus Tim van Dijk.

“Toen ik op 15 juli Pais op de radio zijn plan hoorde introduceren dacht ik: Er moet dus weer eens principieel over selektie gepraat worden”. Wilbrink, van wie deze woorden zijn schreef een rapport, waarin van Pais’ plan geen spaan heel blijft (verkrijgbaar bij het COWO, Oude Turfmarkt 149 Amsterdam [nu gewoon digitaal: De problematiek van de studentstops en de toelatingsprocedure]). De eerste leden van de Tweede Kamer met bedenkingen hebben zich al gemeld. Pais’ voornemen om zijn systeem reeds in mei 1981 te laten draaien, lijkt gedoemd te mislukken. Beinema van het CDA noemde in Folia Civitatis het positieve diskriminatie-element in het plan “een mooi papiertje om een ongezond snoepje”. De principiële diskussie die de onderwijsresearchers willen, lijkt er aan te komen. De minister van Onderwijs en Wetenschappen zal met argumenten moeten komen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s