Alle geslaagden zijn geschikt; Van Kemenade & Raa & Pais – positieve discriminatie? 1981

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Van Kemenade & Raa 1981: Positieve discriminatie bij Pais? O ja?

Intermediair


Vooraf, bw

  • Van Kemenade en Raa laten zien dat het voorstel van Pais voor vrouwen tot minder gunstige resultaten leidt, ondanks de positieve discriminatie, dan de gewogen loting. Maar let wel op dat de berekenignen worden gedaan op de situatie eind 70er jaren. In de erop volgende decennia maken vrouwen een inhaalslag in terme van eindexamencijfers (en gaan mannen het minder goed doen), waardoor de gewogen loting voor geneeskunde gunstiger wordt voor vrouwen dan hij is voor mannen. Met als gevolg dat de balans mannen-vrouwen in de geneeskunde doorschiet ten gunste van vrouwen. Dat is maatschappelijk gezien een majeure ontwikkeling, met ook de nodige problemen omdat vrouwelijke artsen vaker in deeltijd zijn gaan werken. Dat is een wrang gegeven voor degeen die nou juist de numerus fixus voor geneeskundige opleidingen verdedigd hebben met het argument dat het om kostbare opleidingen gaat.

Het is een belangrijke publicatie, ook al was het voorstel door Pais al ingetrokken, dus ik heb de moeite genomen het hele artikel te transcriberen:



Jos A. van Kemenade & V. Raa (5-6-1981). Positieve discriminatie bij de toelating tot het hoger onderwijs. Intermediair, 17, 43-49.

Onderwijsminister Pais lanceerde kort geleden een op het eerste gezicht zeer vrouwvriendelijk voorstel: bij numerus fixus-studies zou de vrouwelijke sekse voortaan positief gediscrimineerd worden. De auteurs van dit artikel gaan na of de voorstellen van Pais ook bij nadere beschouwing in het voordeel van vrouwelijke kandidaten uitwerken. Tussen het tijdstip waarop dit artikel werd geschreven en het moment van publikatie heeft de minister zijn voorstel ingetrokken. De redactie acht de inhoud van dit artikel echter belangrijk genoeg om toch tot publikatie over te gaan

In het onlangs door minister Pais uitgebrachte voorstel voor een andere regeling van de toelating van studenten tot studierichtingen met een numerus fixus, is een verrassend element opgenomen, namelijk de positieve discriminatie van vrouwelijke kandidaten. Dit facet heeft al aanleiding gegeven tot felle discussie en commentaren.

In grote lijnen behelst het voorstel van Pais het volgende:

– Een derde van de beschikbare studieplaatsen wordt toegewezen aan degenen die de hoogste eindexamencijfers hebben behaald.

– Vervolgens worth een derde van de plaatsen toegewezen aan diegenen die de hoogste score hebben behaald in het schoolonderzoek, het centraal schriftelijk eindexamen en het landelijk toelatingsexamen met betrekking tot twee vakken, gezameniijk volgens een bepaalde wegingsformule.

– Tenslotte wordt een derde van de plaatsen toegewezen aan degenen die niet op de hierboven weergegeven wijze zijn toegelaten.

Daarbij wordt vijf procent van dit deel der plaatsen gereserveerd voor toepassing van de hardheidsclausule en wordt het resterende deel van deze plaatsen in gelijke mate aan mannelijke en vrouwelijke kandidaten toegewezen. Tevens werd voorgesteld om het aantal voor mannen beschikbare plaatsen zodanig te verdelen, dat de respectievelijke inlotingskansen van de gegadigden die de militaire dienst hebben vervuld en van de overige mannelijke gegadigden zich verhouden als 2 : 1.

Tegen dit voorstel zijn tal van sociale en onderwijskundige bezwaren in te brengen, zoals de negatieve effecten ervan op het voortgezet onderwijs, de onjuiste vooronderstelling die hieraan ten grondslag ligt met betrekking tot de voorspellende waarde van hoge eindexamencijfers op studieloopbanen, studierendement en beroepspraktijk, de consequenties hiervan voor de aard van de betreffende opleidingen en de sociale gevolgen van dit voorstel (wie meer geld heeft om bijlessen te betalen, heeft meer kans op deelname aan het wetenschappelijk onderwijs).

Wij zullen ons hier echter beperken tot één element van het wetsvoorstel, namelijk de gedachte om de plaatsen beschikbaar voor de derde toelatingscategorie, gelijkelijk te verdelen onder vrouwelijke en mannelijke kandidaten (overigens na aftrek van de plaatsen ten behoeve van de hardheidsclausule).

Marginaal karakter

Allereerst moet worden opgemerkt dat dit voorstel aanzienlijk minder vrouwvriendetijk is dan het op het eerste gezicht lijkt. Immers waarom wordt deze positieve discriminatie alleen bij de derde toelatingscategorie (de toting) toegepast en niet ook bij dat deel der plaatsen dat op basis van eindexamencijfers wordt toegekend?

Wie kiest voor een evenwichtiger verdeling van vrouwen en manners bij numerus fixus-studierichtingen door middel van het instrument van de toelatingsprocedure, is geloofwaardiger als dit correctiemechanisme wordt toegepast op de groepen die volgens de eigen uitgangspunten casu quo vooronderstellingen een hoog studierendement zullen halen dan op de restgroep.

Als Pais, met andere woorden, uitgaat van een positieve correlate tussen gemiddelde eindexamencijfers voor het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) en eindexamencijfers en toetsen voor kernvakken en studierendement van de desbetreffende studies ligt het veel meer voor de hand de positieve discriminatie ten minste ook toe te passen voor vrouwen met hoge eindexamen-cijfergemiddelden en hoge scores voor de kernvakken dan dit te beperken tot de lotingscategorie. Binnen het door Pais voorgestelde systeem zou een evenwichtiger verdeling van mannen en vrouwen maximaal bereikt kunnen worden door aan zowel mannen als vrouwen vijftig procent van het totaal aantal plaatsen toe te wijzen en daar vervolgens de voorgestane toelatingsprocedure op los te laten.

Het marginale karakter van het correctiemechanisme dat Pais voorstelt, blijkt bovendien uit de korting van vijf procent van het aantal beschikbare plaatsen ten behoeve van de hardheidsclausule die alleen ten koste van de derde categorie en niet ook van de eerste en tweede toelatingsgroep.

Het is niet duidelijk waarom alleen de kandidaten met lagere eindexamencijfers en/of lagere scores voor de kernvakken plaatsen in moeten leveren ten behoeve van de overigens op zichzelf terechte hardheidsclausule. Bovendien zijn er zwaarwegende principiële en sociale bezwaren aangevoerd tegen deze positieve discriminatie van vrouwen bij de toelating tot het wetenschappelijk onderwijs. Dit voornaamste van die bezwaren is onzes inziens, dat er correctiemechanismen op de variabele sekse uit worden gelicht, die tot gevolg kunnen hehben dat hierdoor de toelatingskansen van andere achtergestelde groepen verminderd worden. Naast vrouwen zijn bij voorbeeld ook kinderen uit lagere sociale milieus ondervertegenwoordigd bij het wetenschappelijk onderwijs. Deze ongelijke verdeling naar sekse en sociaal milieu komt duidelijk tot uiting in tabel 1, die ontleend is aan een publikatie van bet CBS. 1)

Ook al zal in de afgelopen jaren het aandeel van kinderen uit lagere sociale milieus ook voor de medische studierichtingen iets zijn toegenomen, toch zal onzes inziens het voor 1974-1975 gesignaleerde beeld in hoofdlijnen gehandhaafd blijven.

Positieve discriminatie van één groep mag niet ten koste gaan van andere achtergebleven groepen. Dit kan tot buitengewoon scheve

Tabel 1. Verdeling van eerstejaars studenten geneeskunde, tandheelkunde en diergeneeskunde naar sekse en sociaal milieu (studiejaar 1974-1975).

--------------------------------------------------------------------
                          totaal    hoger    middelbaar     lager
                          absoluut  milieu   milieu         milieu
--------------------------------------------------------------------
totaal (alle eerstejaars)  18.221      33        49          18
geneeskunde                 1.414      44        44          12
tandheelkunde                 393      44        46          10
diergeneeskunde               148      42        47          11

mannen (alle eerstejaars)  12.849      30        49          20
geneeskunde                   989      42        45          13
tandheelkunde                 331      42        47          10
diergeneeskunde               104      34        52          14

vrouwen (alle eerstejaars)  5.372      40        47          13
geneeskunde                   425      47        43          10
tandheelkunde                  62      --        --          --
diergeneeskunde                44      --        --          --	
--------------------------------------------------------------------

verhoudingen leiden, zoals bij voorbeeld uit de berekeningen van Wilbrink al blijkt. 2)

Nog afgezien van de vraag of men het principieel gewenst acht om bij de toelating tot het wetenschappelijk onderwijs en op individueel niveau positief te discrimineren zou het consequent en rechtvaardig zijn om dan: een dergelijke voorrang te realiseren voor alle achtergestelde groepen, met name voor zowel vrouwelijke kandidaten als voor kandidaten uit sociaal-culturele achterstandssituaties. Hetzelfde zou eventueel ook gelden met betrekking tot regionale achter-standen; voorts zou een dergelijke voorrang niet alleen beperkt moeten blijven tot de derde categorie, maar in alle toelatingscategorieën tot uitdrukking gebracht moeten worden, voor zover men overigens die categorieën zou willen handhaven.

Schijnvoordeel

Bovendien rijst echter de vraag of het voorstel van Pais in feite werkelijk in het voordeel van de vrouwelijke kandidaten is, zelfs als men alle andere, zwaarwegende nadelen, van dit stelsel zou willen accepteren.

Op grond van door ons uitgevoerde berekeningen blijkt dat dit niet het geval is. Wij hebben daartoe, uitgaande van de elementen van het nieuwe voorstel, een berekening uitgevoerd met betrekking tot de studierichting geneeskunde.

Wij hebben ons tot deze studierichting beperkt omdat het hier gaat om relatief grote aantallen, waarvoor de berekeningen goed zijn uit te voeren en omdat de spreiding van de gemiddelde eindexamencijfers van de gegadigden voor geneeskunde voor het studiejaar 1979-1980 in vrij hoge mate overeenkomt met de spreiding van de eindexamencijfers vwo in het CBS-onderzoek voor 1977.

Bovendien moesten wij uiteraard, zoals zal blijken, van een aantal aannames uitgaan, vooral omdat het helaas niet mogelijk bleek gebruik te maken van meer gedetailleerde gegevens uit het bestand van het Centraal Bureau voor Aanmelding en Plaatsing.

Tabel 2. Gegadigden voor geneeskunde naar eindexamengemiddelde vwo, voor het studiejaar 1979-1980

       percentage
---------------------
>8,5      1
8 - 8,5   5
7,5- 8    9
7- 7,5   24
6,5 - 7  28 
<6,5     33
             N = 3760
---------------------

Een steekproef van het CBS van geslaagden voor een dagschooldiploma vwo 1977 gaf de verdeling in percentages naar gemiddeld eindexamencijfer en geslacht te zien die tabel 3 toont. 3)

Tabel 3. Geslaagden voor een dagschooldiploma vwo 1977 naar gemiddeld examencijfer en geslacht (in procenten).

--------------------------------------------------------------------
            mannen vrouwen totaal 
>8             7      4         5 
7,5 - 8       11      8        10 
7 - 7,5       23      21       22
6,5 - 7       31      28       30 
<6,5          28      39       33 
         N = 573 N = 473 N = 1046 
--------------------------------------------------------------------

Helaas beschikte het Centraal Bureau voor Aanmelding en Plaatsing (CBAP) niet over meer gespecificeerde gegevens dan in tabel 2 is aangegeven.

De verdeling van de gegadigden voor geneeskunde was bij voorbeeld met betrekking tot de eindexamengemiddelden niet naar geslacht uitgesplitst.

De spreiding van de onderscheiden cijferintervallen met betrekking tot de gegadigden voor geneeskunde voor 1979-1980 is echter in redelijke mate verwant met de spreiding uit het CBS-onderzoek voor de totale steekproef (het totaal van mannen en vrouwen).

Bij gebrek aan betere gegevens hebben we voor onze herberekening de gegevens van het CBS-onderzoek (inclusief de verdeling over mannen en vrouwen) gebruikt voor het bestand gegadigden voor geneeskunde voor 1979.

Daar het CBS-onderzoek geen intervallen van 8-8,5 en 8,5 heeft onderscheiden en deze intervallen wel van belang zijn voor toepassing van het systeem van gewogen loting, hebben we ons voor de herberekening gebaseerd op de verdeling bij het CBAP-bestand voor 1979, dat wil zeggen dat de intervallen 8-8,5 en 8,5 zich tot elkaar verhouden als 5 : 1.

Dat betekent dat we ervan uitgaan dat bij de mannen vijfzesde van zeven procent (is zes procent) een gemiddelde heeft tussen de 8 en 8,5 en een zesde van zeven procent (is een procent) een hoger gemiddelde dan 8,5 heeft, terwijl bij de vrouwen ervan uitgegaan wordt dat vijfzesde van vier procent (is ruim drie procent) een gemiddelde heeft tussen de 8 en 8,5 en een zesde van vier procent (is ongeveer een procent) een hoger gemiddelde dan 8,5 heeft.

Voorts beschikken we voor 1979 over het plaatsingspercentage per onderscheiden eindexamencijfercategorie 4), over het totaal aantal geplaatste studenten van diegenen met een 6,5 of minder tot en met een 8,5 en hoger, namelijk 1596 studenten 5), en over het percentage mannen en vrouwen dat in 1979 tot het eerste jaar voor geneeskunde is toegelaten, respectievelijk 61,1 procent en 38,9 procent. 6) Op grond van deze gegevens kunnen we tabel 4 construeren.

Tabel 4. Gegadigden voor geneeskunde voor het studiejaar 1979-1980 naar eindexamengemiddelden en geslacht, in procenten.

-----------------------------------------------------------     
         mannen vrouwen totaal plaatsingspercentage
-----------------------------------------------------------
> 8,5     1      1       2     95
8 - 8,5   6      3       4     71
7,5 - 8  11      8      10     59
7 - 7,5  23     21      22     47
6,5 - 7  31     28      30     38
<6,5     28     39      32     32
-----------------------------------------------------------

Van deze cijfercategorieën zijn volgens het systeem van gewogen loting in totaal 1596 studenten geplaatst, waarvan 61,9 procent ofwel 975 mannen en 38,9 procent ofwel 621 vrouwen. 8)

Door de gegevens uit de vorige tabel toe te passen kan voor de categorie mannen en voor de categorie vrouwen afzonderlijk het plaatsingspercentage worden uitgerekend.

Tabel 5. Onderlinge verhouding geplaatste studenten naar examengemiddelde en geslacht.

-----------------------------------------------------------------
           mannen             vrouwen 
-----------------------------------------------------------------
>8,5       1.0,95 =  0,95    1.0,95 =  0,95  
8 - 8,5    6.0,71 =  4,26    3.0,71 =  2,13 
7,5 - 8   11.0,59 =  6,49    8.0,59 =  4,72
7 - 7,5   23.0,47 = 10,81   21.0,47 =  9,87
6,5 - 7   31.0,38 = 11,78   28.0,38 = 10,64
<6,5      28.0,32 =  8,96   29.0 23 = 12,48
                   ------            ------
         43,25             40,79
-----------------------------------------------------------------

Dat wil zeggen dat van de 100 mannelijke gegadigden er 43,25 geplaatst worden en van de 100 vrouwelijke gegadigden er 40,79 geplaatst worden. Daar er in totaal 975 mannen zijn geplaatst bestond het aantal mannelijke gegadigden uit (100/43,25) .975 = 2254 mannelijke gegadigden.

Er waren 621 vrouwen geplaatst. Dit betekent dat er (100/40,79) .621 = 1523 vrouwelijke gegadigden waren.

Daar we in tabel 4 het plaatsingspercentage per cijferklasse hebben weergegeven, komen we via onze herberekeningen tot het bestand gegadigden voor de studierichting genees-kunde voor het studiejaar 1979/1980 zoals aangegeven in tabel 6.

Tabel 6. Gegadigden geneeskunde naar gemiddeld eindexamencijfer en geslacht (herberekening voor de gegadigden van 1979-1980).

----------------------------------------
           mannen    vrouwen    totaal
           abs. %    abs. %     abs. %
----------------------------------------
> 8,5       23   1    15   1      38   1
8 - 8,5    135   6    46   3     181   5
7,5 - 8    248  11   122   8     370  10
7 - 7,5    518  23   320  21     838  22
6,5 - 7    699  31   426  28    1125  30
< 6,5      631  28   549  39    1225  32
totaal    2254 100  1523 100    3777 100
----------------------------------------

Gewogen loting

Uit deze herberekening is een eerste conclusie met betrekking tot de verdeling tussen mannen en vrouwen te trekken. Bij het aantal geplaatste studenten, dat wil zeggen na toepassing van het huidige systeem van gewogen loting, bestond 61,1 procent uit mannen en 38,9 procent uit vrouwen. Bij bet herberekende bestand van gegadigden behoort 59,7 procent tot het mannelijk geslacht en 40,3 procent tot het vrouwelijk geslacht. Zou een systeem van ongewogen loting gehanteerd worden, dan bestaat volgens dit rekenvoorbeeld 59,7 procent van het aantal geplaatsten uit mannen en 40,3 procent uit vrouwen. Gewogen loting werkt derhalve in het nadeel van vrouwen uit. Ook Jonker en Slagter komen in hun CBS-onderzoek 9) tot een dergelijke conclusie:

‘Doordat vrouwen in vergelijking tot mannen mindere resultaten behalen, zal een selectieprocedure voor het wetenschappelijk onderwijs, waarbij het eindexamen vwo, dan wel het gemiddelde cijfer van het schriftelijk gedeelte van dat examen een rol speelt, in het algemeen voor eerstgenoemde groep ‘discriminerend’ werken. ‘Discriminerend’ moet hier verstaan worden in die zin, dat een relatief kleiner aantal vrouwen bil een dergelijke selectieprocedure zal worden toegelaten’.

Voor de categorie van 3777 gegadigden waren in het studiejaar 1979/1980 1596 plaatsen beschikbaar. Toepassing van het systeem-Pais op ons herberekende bestand van gegadigden voor geneeskunde levert het volgende op:

a Een derde gedeelte van het aantal te verdelen plaatsen, ofwel 1596 : 3 = 532 plaatsen, wordt toegekend aan diegenen met de hoogste gemiddelde eindexamencijfers. Diegenen met een 8 of hoger worden allen geplaatst: 38 + 181 = 219 plaatsen. Dan blijven er 313 plaatsen over voor de gegadig-den die een gemiddelde hebben van tussen de 7,5 en 8. Daarvan kan 84,6 procent geplaatst worden, dat wil zeggen 84,6 procent van 248 = 210 mannen en 84,6 procent van 122 = 103 vrouwen. Deze 532 plaatsen worden dus als volgt verdeeld: zie tabel 7.

Tabel 7.

-----------------------------------------------------
              mannen   vrouwen   totaal
-----------------------------------------------------
>8,5              23       15       38  
8 - 8,5          135       46      181
7,5 - 8          210      103      313
totaal           368      164      532
in procenten      69%      31%     100%
-----------------------------------------------------

Tabel 8. Percentages mannelijke en vrouwelijke geslaagden vwo 1977 die voor de vakken natuur- en scheikunde resp. 7,5 en hoger, tussen 6,5 en 7,5, en lager dan 6,5 scoorden.

-----------------------------------------------------
             natuurkunde          scheikunde
             %mannen  %vrouwen    %mannen  %vrouwen  
-----------------------------------------------------
>7,5             25     9             25     10
6,5 - 7,5        34    25             34     33
<6,5             41    66             41     57
            N = 359    N = 128   N = 354     N = 153
-----------------------------------------------------

b Vervolgens wordt een derde gedeelte van het aantal te verdelen plaatsen, wederom 532 plaatsen, toegewezen aan gegadigden die bij het eindexamen vwo en bij een landelijk vergelijkende toets het hoogst scoren voor twee kernvakken. Voor geneeskunde zullen natuur- en scheikunde als kernvakken gaan gelden. Nu zijn ons geen gegevens bekend over hoe bij kandidaten voor geneeskunde de verdeling per geslacht is ten aanzien van de cijfers voor natuur- en scheikunde, laat staan voor diegenen die overblijven na de operatie zoals onder a is beschreven.

Wel is door het CBS nagegaan hoe voor een steekproef uit de geslaagden voor het vwo uit 1977 de verdeling van de examencijfers voor natuur- en scheikunde is voor mannen en vrouwen. 10)

Jonker en Slagter hebben op grond van deze cijfers geconstateerd, dat mannen voor natuur- en scheikunde significant betere cijfers halen dan vrouwen.

Ook al zullen mannen die hoge cijfers voor natuur- en scheikunde halen frequenter dan vrouwen op de technische hogescholen of wis-, natuur- of scheikunde gaan studeren 11), toch kan worden aangenomen, dat de score-verhouding voor deze vakken ook de verdeling van de gegadigden voor geneeskunde zal beïnvloeden.

Drie varianten

We zullen achtereenvolgens drie varianten uitwerken:

A De percentages voor natuur- en scheikunde uit het CBS-onderzoek worden gemiddeld en de gevonden verdeling wordt beschouwd als de verdeling op basis van het toelatingsexamen in de kernvakken.

B Er wordt vanuit gegaan, dat de verhouding tussen mannen en vrouwen, die op grond van de natuur- en scheikundecijfers worden toegelaten hetzelfde zal zijn als de verhouding met betrekking tot de gemiddelde examencijfers (dus dezelfde verdeling als bij a)

C Er wordt vanuit gegaan dat de natuur- en scheikunderesultaten hetzelfde effect zullen hebben op de verdeling tussen mannen en vrouwen als de 532 plaatsen wederom worden toegewezen aan diegenen van de overgebleven gegadigden die de hoogste gemiddelde eindexamencijfers hebben. A Wanneer de natuur- en scheikundecijfers uit het CBS-onderzoek worden gemiddeld 12) ziet de cijferverdeling er uit als in tabel 9.

-----------------------------------------------
Tabel 9 
-----------------------------------------------
              % mannen    % vrouwen
>7,5             25            10
6,5 - 7,5        34            29
<6,5             41            61
-----------------------------------------------

Na aftrek van de geplaatsten op grond van de hoogste cijfers zijn er nog 2254 – 368 = 1886 mannelijke gegadigden en 1523 – 164 = 1359 vrouwelijke gegadigden over. De indeling naar natuur- en scheikundecijfers levert dan het volgende resultaat op:

Tabel 10. Verdeling overgebleven gegadigden voor geneeskunde naar natuur- en scheikundecijfers en naar geslacht.

-----------------------------------------------
             % mannen   % vrouwen   totaal
>7,5            472         136      608
6,5 - 7,5       641         394     1035
<6,5            773         829     1602
totaal         1886        1359     3245
-----------------------------------------------

Er zijn 608 gegadigden met een 7,5 of hoger voor 532 plaatsen. Dat wil zeggen dat 87,5 procent geplaatst kan worden en wel als volgt verdeeld: 87,5 procent van 472 = 413 mannen en 87,5 procent van 136 = 119 vrouwen.

B Dit geeft dezelfde verdeling tussen mannen en vrouwen te zien als bij de verdeling op grond van de hoogste examencijfers. Dus wederom 368 mannen en 164 vrouwen.

C Na aftrek van de geplaatsten op grond van de hoogste cijfers in ons rekenvoorbeeld toont tabel 11 de gegadigden die over zijn gebleven.

Tabel 11

-----------------------------------------------
          mannen vrouwen totaal
-----------------------------------------------
7,5 - 8      38     19      57
7 - 7,5     518    320     838
6,5 - 7     699    426    1125
6,5         631    594    1225

totaal     1886   1359    3225 
-----------------------------------------------

Diegenen met een cijfer tussen: 7,5 en 8 worden direct geplaatst: 57. Voor de 4775 overgebleven plaatsen zijn 838 gegadigden met een cijfer tussen 7 en 7,5, hiervan wordt 56,7 procent geplaatst en wel als volgt verdeeld: 56,7 procent van 518 mannen = 294 mannen en 56,7 procent van 320 vrouwen = 181 vrouwen. Deze 532 plaatsen worden daarmee verdeeld zoals aangegeven in tabel 12.

Tabel 12

-----------------------------------------------
          mannen vrouwen totaal
-----------------------------------------------
7,5 - 8      38     19      57
7 - 7,5     294    181     475

totaal      332    200     532
in %         62,4%  37,4%  100% 
-----------------------------------------------

Na deze ronde toont tabel 13 het overzicht op basis van a en b geplaatste studenten voor de varianten A, B en C.

Tabel 13

--------------------------------------------------------------------
      A                    B                     C
      hoogste nat. + tot.  hoogste nat. + tot.   hoogste nat. + tot.
      cijfers scheik.      cijfers scheik.       cijfers scheik.  
--------------------------------------------------------------------
mannen   367   413   780     367   367   734       367   332   699
vrouwen  165   119   284     165   165   330       165   200   365
totaal   532   532  1064     532   532  1064       532   532  1064
--------------------------------------------------------------------

c Van het totaal van de beschikbare plaatsen wordt vijf procent gereserveerd voor de toepassing van de hardheidsclausule, dat wil zeggen 80 plaatsen. Het is redelijk ervan uit te gaan, dat de plaatsen via de hardheidsclausule volgens eenzelfde verhouding mannen-vrouwen verdeeld worden als bij het totaal aantal gegadigden het geval is. Dat wil zeggen dat 59,7 procent van 80 = 48 plaatsen naar mannen en 32 naar vrouwen gaan.

De tussenstand van de verdeelde plaatsen in de verschillende varianten wordt dan zoals in tabel 14.

Toepassing van het systeem-Pais onder de hierboven weergegeven aannames levert dan voor de onderscheiden varianten het beeld op van tabel 15.

Bij vergelijking van verschillende systemen van toelating komen we wat betreft de verdeling per geslacht in percentages tot het overzicht van tabel 16.

Tabel 14

-----------------------------------------------
A.                mannen   vrouwen   totaal
hoogste cijfers     367      165      532
natuur- en scheik.  413      119      532  
hardheidsclausule    48       32       80
totaal              828      316     1144
-----------------------------------------------
B.                mannen   vrouwen   totaal
hoogste cijfers     367      165      532
natuur- en scheik.  367      165      532  
hardheidsclausule    48       32       80
totaal              782      362     1144
-----------------------------------------------
C.                mannen   vrouwen   totaal
hoogste cijfers     367      165      532
natuur- en scheik.  332      200      532  
hardheidsclausule    48       32       80
totaal              747      397     1144
-----------------------------------------------
Tabel 15 
A.                mannen   vrouwen   totaal
hoogste cijfers     367      165      532
natuur- en scheik.  413      119      532  
hardheidsclausule    48       32       80
loting              226      226      452
totaal             1054      542     1596
in procenten         66%      34%     100%
-----------------------------------------------
B.                 mannen   vrouwen   totaal
hoogste cijfers     367      165      532
natuur- en scheik.  367      165      532
hardheidsclausule    48       32       80
loting              226      226      452
totaal             1008      588     1596
in procenten         63%      37%     100%
-----------------------------------------------
C.                 mannen   vrouwen   totaal
hoogste cijfers     367      165      532
natuur- en scheik.  332      200      532
hardheidsclausule    48       32       80
loting              226      226      452
totaal              973      623     1596
in procenten         61%      39%     100%
-----------------------------------------------

Bij vergelijking van verschillende systemen van toelating komen we wat betreft de verdeling per geslacht in percentages tot het overzicht van tabel 16.

--------------------------------------
Tabel 16            mannen    vrouwen 
--------------------------------------
systeem-Pais-A        66%      34% 
systeem-Pais-B        63%      37% 
systeem-Pais-C        61%      37% 
gewogen loting        61,1%    38,9% 
ongewogen loting      59,7%    40,3%
--------------------------------------

De conclusie op grond van deze herberekening moet dan ook luiden dat het nieuwe door Pais voorgestelde stelsel van toelating tot het wetenschappelijk onderwijs, ondanks de positieve discriminatie die daarbij gedeeltelijk wordt toegepast, niet in het voordeel van de vrouwelijke kandidaten is, maar in tegendeel voor de vrouwelijke kandidaten tot minder studieplaatsen in de grootste numerus fixusstudie, de geneeskunde, leidt dan bij ongewogen loting het geval zou zijn en waarschijnlijk zelfs voor de vrouwen ongunstiger is dan het huidige stelsel van gewogen loting.

Slechts in de meest gematigde berekeningsvariant, C, zal het voorgestelde systeem-Pais hoogstens tot dezelfde verhouding in de toelating van mannen en vrouwen leiden als nu reeds het geval is, terwijl bij de beide andere berekeningsvarianten de relatieve deelname van vrouwen zelfs lager zal zijn dan bij het huidige stelsel van de gewogen loting. Zodat, nog afgezien van alle andere bezwaren van onderwijskundige en sociale aard, ook in dit opzicht het nieuw voorgestelde toelatingssysteem geen voorkeur verdient.

Noten

1. CBS, Statistiek van het wetenschappelijk onderwijs 1974/1975, waarin opgenomen: voornaamste ontwikkelingen 1950-1974 en 1974-1978, ‘s-Gravenhage 1980, blz. 92. Dit zijn de meest recente gegevens waarover we kunnen beschikken. Voor de eerstejaarstudenten van studiejaar 1974/1975 kwam in ieder geval naar voren, dat kinderen uit een lager sociaal milieu bij de medische studierichtingen nog zwakker vertegenwoordigd waren dan over alle studies toch al het geval was. Bij de studierichtingen geneeskunde waren vrouwen uit een lager sociaal milieu nog weer zwakker vertegenwoordigd. Gezien het beperkte aantal eerstejaars vrouwelijke studenten voor tandheelkunde en diergeneeskunde is voor die studierichtingen afgezien van een verdeling naar sociaal milieu.

2. B. Wilbrink, Kansberekeningen bij Pais’ voorontwerp van wet toelating tot numerus fixus-studies in het vwo [sic], C.O.W.O., Amsterdam 1980, blz. 20.

3. Jonker, J. K. en H. C. A. Slagter, Eindexamencijfers geslaagden vwo 1977, CBS, ‘s-Gravenhage 1979, blz. 181.

4. Jaarverslag van de Centrale Commissie Aanmelding en plaatsing a.s. eerstejaarsstudenten, studiejaar 1979 en 1980, Groningen 1979, blz. 20.

5. Idem.

6. CBS. De ingeschrevenen bij het wetenschappelijk onderwijs in het studiejaar 1979-1980, mededeling no. 7714, februari 1980.

7. Bij het systeem van gewogen loting worden gegadigden op grond van gemiddelden van het centraal schriftelijk eindexamen ingedeeld in bepaalde cijferklassen. De inlotingskans wordt hoger wanneer de gegadigde een hoger eindexamencijfergemiddelde heeft.

8. Hierbij zijn we uitgegaan van de vooronderstelling dat het aantal studenten, dat toegelaten wordt met een ander diploma dan van het vwo, via de hardheidsclausule en buitenlandse studenten niet anders is dan de verdeling tussen mannen en vrouwen die zich met een vwo-diploma hebben aangemeld.

9. Jonker en Slagter, t.a.p., blz. 181 – 182.

10. Jonker en Slagter, t.a.p., blz. 188 – 189.

11. De verdeling van de eerstejaars studenten over de verschillende faculteiten was voor het studiejaar 1979 – 1980 als volgt (in procenten)

-----------------------------------------------------------------------------
            mannen %     vrouwen %   totaal
-----------------------------------------------------------------------------
alfa           11,8        29,5       17,9
medisch         8,3         8,5        8,4
bêta           38,2        13,4       29,7 
gamma          41,7        48,5       44
       N =  14681     N = 778   N = 2382
-----------------------------------------------------------------------------

17,9 8,4 29,7 44 2382 (Deze gegevens zijn ontleend aan Mededeling no. 7714 van het CBS over De ingeschrevenen hij het wetenschappelijk onderwijs in het studiejaar 1979/1980.) Volgens de gegevens uit deze tabel kiezen mannen bijna drie keer zoveel voor een bêta-studierichting dan vrouwen. In deze gegevens is echter geen rekening gehouden met het verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het al of niet hebben van een vwo-B-diploma.

Herschikking van de cijfers uit de CBS-publikatie Statistiek van het vwo, havo en mavo, keuze van vakken: 1. bij de eindexamens 1977; 2. in de leerjaren, waarin een vakkenpakket is gekozen, september 1977 uit 1980, laat zien, dat van de mannelijke vwo-gediplomeerden uit 1977 61 procent een B-diploma heeft, terwijl dit voor de vrouwelijke gediplomeerden 31 procent is.

Ervan uitgaande, dat deze percentages voor het studiejaar 1978/1979 ongeveer gelijk gebleven zullen zijn, zullen de vwo-B-gediplomeerden zich ongeveer als volgt over de verschillende faculteiten verdeeld hebben:

-------------------------------------------------------------
            mannen %     vrouwen %
-------------------------------------------------------------
medisch        14           7
bêta           62          43 
alfa _ gamma   24          30 
-------------------------------------------------------------

Dit houdt in, dat waarschijnlijk ruim zestig procent van de mannelijke vwo-B-gediplomeerden naar een B-studie gaat, terwijl dit voor vrouwen ruim veertig procent is. We beschikken echter niet over gegevens waarin wordt aangegeven dat diegenen die een B-studie gaan volgen over betere natuur- en scheikundecijfers beschikken dan geneeskundestudenten. Vooralsnog gaan we er dan ook van uit dat de in het CBS-onderzoek van Jonker en Slagter geconstateerde significante prestatieverschillen voor natuur- en scheikunde tussen mannen en vrouwen ook van invloed zouden zijn op verdeling ten aanzien van het voorgestelde toelatingsexamen in deze kernvakken.

12. Waarbij ervan wordt uitgegaan, dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de hoogte van de individuele score voor enerzijds natuur- en anderzijds scheikunde.

One thought on “Alle geslaagden zijn geschikt; Van Kemenade & Raa & Pais – positieve discriminatie? 1981

  1. Pingback: Alle geslaagden zijn geschikt. Is er sprake van numerus fixus-expertise, in die 70er jaren? | Fair schooling & assessment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s