Alle geslaagden zijn geschikt; Bakker: honderden reacties

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Bakker: honderden reacties, 1974

NRC Handelsblad


Vooraf, bw

Dit is anderhalve pagina NRC (klassiek formaat) door Bakker samengesteld uit enkele honderden reacties die op zijn eerdere bijdrage binnenkwamen bij NRC Delpher. Uiteindelijk zouden er zo’n duizend reacties binnenkomen. Tromp en Zwart maakten er een overzicht van (H. Tromp en H. de Zwart: Brieven aan Bakker; standpunten en argumenten van voorstanders van selectie, C. O. M. T., Hooigracht 15, Leiden, 1983 30 pp. ), mogelijk heb ik dat rapport ergens in mijn archief, want Tromp had mijn numerus fixus archief geleend voor zijn onderzoek.

Bakker is erin geslaagd een goed beeld te geven van hoe NRC-lezers denken over het voornemen van staatssecretaris Ger Klein om voor toelating tot numerus fixusstudies iedereen te laten loten, zonder de uitzondering bij hoge eindexamencijfers, de 7½-regeling overboord.

Ook bijna een halve eeuw later is het nog steeds een boeiend stuk. Het lijkt me wel handig om een paar opmerkingen vooraf te maken.

  • Het onrechtvaardige zit hem in de numerus fixus zelf, een politiek besluit waar best goede alternatieven voor waren, zoals Bakker ook wel beseft. Dus roepen dat loten onrechtvaardig is, is wel een tikje kort door de bocht.
  • Waarden zijn niet zo vanzelfsprekend als ze hier wel gepresenteerd worden: bij verdeling van een schaars goed voorrang geven aan wie de hoogste examencijfers kan presenteren schreeuwt om nadere beschouwing, maar Bakker geeft niet thuis. Bij hoge eindexamencijfers voorrang verlenen breekt bovendien met de systematiek van ons onderwijsstelsel, en is daarom niet vanzelfsprekend.
  • Tenslotte is onderwijs een publiek goed, en is het in die zin van ons allemaal. Het idee dat je een recht erop kunt ‘verdienen’ verdient wel enige argwaan. Voor dergelijk meritocratisch gedachtegoed zie Michael Sandel mijn blog. Sandel legt juist de nadruk op de categorie die Bakker een beetje wegfrommelt: de kandidaten die geen voorkeurspositie hebben ‘verdiend’.
  • In dit verband wijs ik erop dat in de 70er jaren meisjes minder hoge studieresutaten boekten dan jongens, daar ga je al. In latere decennnia verkeerde die relatie in zijn tegendeel.
  • Hier en daar wordt gesteld dat door loten sommigen de toelating tot de universiteit wordt ontzegd, wat flagrant onjuist is (de meeste universitaire studies zijn gewoon vrij toegankelijk), maar door Bakker niet gecorrigeerd.
  • Een enkele afgewezen kandidaat zal een jaartje gaan zeezeilen, maar de meesten kiezen een andere universitaire studie, wel of geen parkeerstudie. Maar dat ondergraaft de talrijke argumenten dat loting talent verloren zou doen gaan: welnee, dat talent gaat elders in de universiteit aan de slag.
  • Wat we ons anno 2021 mogelijk niet meer realiseren: voordat de numerus fixus voor geneeskundige opleidingen werd ingesteld, werden deze studies typisch niet door de meest briljante leerlingen gekozen (CBS-cijfers leren ons dat). Het bizarre van iedere andere regeling dan integraal loten is dat die verhouding op zijn kopwordt gezet: hoge cijfers geven grotere kans op en zelfs directe toegang tot geneeskundige studies. Een ernstige marktverstoring, zouden economen onder ons opmerken.
  • Dit speelt anno 1974, het idee van gewogen loting was al wel geopperd door Wynand Wijnen, maar zeker niet algemeen bekend. Gewogen loting was het compromis dat in 1975 kamerbreed werd gesteund. In de maatschappelijke discussie van 1974 had het zeker de scherpste kantjes weg kunnen slijpen.
  • Opmerkelijke brievenschrijvers: Van Heek (ja, van ‘Verborgen talent’) en Begeer (promoveerde op het onderwerp ‘selectie’, maar benaderde dat op idiosyncratische wijze, ofwel: met voorbijgaan aan de internationale literatuur)

    Ook De Bruyne en Mellenbergh, maar zij waren geen briefschrijvers – Bakker verwijst naar hun rapport dat de selectievoorstellen van A.D. de Groot van kritische commentaar voorziet.

Transcriptie van volledige tekst hierbeneden.



K. Bakker (28 juni 1974): Selectie of loting. NRC Handelsblad, Cultureel Supplement. Delpher Ook als transcriptie


[redactioneel kader] Op 31 mei heeft prof. K. Bakker uit Leiden in het Cultureel Supplement een artikel geschreven over de nadelen van loting als methode om te beslissen welke eindexamenleerlingen van het VWO worden toegelaten tot de universitaire studie in één van de richtingen, waarvoor een numerus fixus bestaat. Voor het CS van vandaag heeft hij een bloemlezing samengesteld uit alle reacties die hij op zijn stuk heeft ontvangen.


“Kijk eens, wat een fanmail” zei mijn secretaresse toen ik na de Pinksterdagen terugkwam op mijn laboratorium. Ze doelde op een enorme stapel brieven die ze aan het openen en sorteren was. Die dag waren het er 80, maar inmiddels zijn daar nog zeker een honderdtal bijgekomen.

Ik ben niet alleen verheugd maar ook erg verrast met deze enorme respons op mijn artikel van 31 mei in het Cultureel Supplement [zie deze blog, BW]. In de eerste plaats wil ik alle briefschrijvers bedanken voor hun, vaak heel uitvoerige, reactie. Kennelijk was het onderwerp van dien aard dat allerlei mensen erdoor werden aangesproken en ervoor in de pen klommen: leerlingen van het VWO en hun ouders, leraren en rectoren van allerlei scholen, studenten, stafleden, hoogleraren en lectoren uit alle faculteiten, artsen, ingenieurs, juristen, economen, chemici, sociologen, enz. Velen boden hulp aan in allerlei vorm (handtekeningenactie, documentatie verzamelen, statistische bewerkingen van cijfermateriaal). Het bleek dat er op verschillende plaatsen heel wat cijfers in laden verborgen liggen!

Vrijwel alle brieven bevatten adhaesie-betuigingen. Nu had ik daarom ook gevraagd – met daarbij de hoop dat van degenen die het oneens zouden zijn met de strekking van mijn artikel er zeker ook een aantal zou reageren. Gelukkig is dat ook gebeurd, want alleen “Tegenspraak brengt ons verder” (zoals de titel luidt van het boek van Rudi Koopmans dat onder mijn artikel werd gerecenseerd).

Uit het enorme materiaal dat ik heb binnen gekregen wil ik hieronder een bloemlezing geven, voorzien van commentaar en gerangschikt naar een aantal onderwerpen. Ik wil beginnen met enkele argumenten die tegen mijn artikel zijn ingebracht.

Onrechtvaardigheid van selectie

Een heel principieel punt wordt naar voren gebracht door Dr. Reddingius (Groningen), die schrijft: “Ik ben het met je eens dat het niet tot de universiteit toelaten van jongelui met hoge eindexamencijfers zeer onrechtvaardig is – maar voor mij is dat een uitvloeisel van een veel fundamentelere onrechtvaardigheid, namelijk deze, dat een aantal mensen die op grond van een met goed gevolg afgelegd eindexamen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (zo heet het en zo was de bedoeling) de toelating tot de universiteit wordt ontzegd. We kunnen daar nu verder zus of zo omheen kletsen, maar in dit licht is iedere beslissing die genomen wordt over wie er verder wel of niet wordt toegelaten onrechtvaardig. Het is natuurlijk niet juist dat “iedereen toelaten” en “iedereen laten loten” procedures zijn waarbij niet wordt geselecteerd. Er wordt wel geselecteerd, want er zijn eindexamens en het is de bedoeling dat bij die examens wordt beslist of iemands nivo van kennis, vaardigheden en attitudes hoog genoeg is om te gaan studeren of iets anders te doen waartoe een einddiploma v.w.o. kwalificeert. Degenen voor wie deze beslissing positief uitvalt hebben volgens het geldende recht gelijkelijk recht op toelating aan de universiteit. Wat mij betreft: als we nu met zijn allen te krenterig zijn om dat recht ook te honoreren, dan moet dat gelijke recht in vredesnaam maar worden vervangen door “gelijke kansen”.” Op deze gronden pleit hij vóór loting. Ik ben het met zijn uitgangspunt geheel eens, zoals trouwens ook blijkt uit de aanhef van mijn artikel, maar de conclusie van Reddingius deel ik niet: we zitten helaas in een situatie waarin we dit recht niet kunnen honoreren, hoe graag we dit zouden willen. Mijn voorkeur gaat onder de huidige omstandigheden uit naar een toelating van alle gegadigden en een selectie na het eerste jaar: dit heb ik, dacht ik, duidelijk doen uitkomen. Als ook dit niet kan, moeten we een zinnige oplossing zoeken en ik betwijfel sterk of “loting” zo’n “oplossing” is. Dat doet Reddingius overigens óók als hij schrijft: “De domme loting zal ons tenminste telkenjare herinneren aan het absurde van de hele toestand”.

Doel van de studie

Enkele briefschrijvers gaan in op een problematiek die ik in mijn artikel niet heb aangeroerd, maar die duidelijk samenhangt met het vraagstuk van de selectie. Zo schrijft mr. Nijenhuis (Maarssen): “Anders dan in het theater zou ik willen pleiten voor niet alleen een schatting van de recette bij binnenkomst, maar ook voor een evaluatie van het nut van het gebodene na het verlaten van het etablissement. Je kunt als je wilt twee typen academici bedenken: de briljante wetenschapsbeoefenaar met een glanzende studie achter de rug en de “gemiddelde” afgestudeerde na een opleiding zonder pretenties. Het maatschappelijke nut van die twee typen hangt van veel meer af dan de studieresultaten. De uitoefening van je vak en de beïnvloeding daarmee van anderen heeft ook te maken met andere (speciale, organisatorische, zeg ook artistieke) kwaliteiten. Ik acht de als eerste geschetste figuur daarom zonder meer niet beter – zij het bepaald ook niet slechter – dan de tweede. Mede uit dit oogpunt staat het voor mij – eenvoudig uit gebrek aan criteria – niet helemaal vast dat je keuze van selectiemethode zo vanzelfsprekend is”.

Mijn antwoord hierop is tweeledig: het “eerste type” is zeker zeldzamer, hoewel zoals Nijenhuis zegt, niet noodzakelijk “beter” of “slechter”. De nu beschikbare selectiemethode meet allerlei relevante eigenschappen niet. Dat kunnen we wel betreuren maar het betekent niet dat de wél beschikbare methode daarmee “waardeloos” wordt. Mevrouw Van Albada-van Dien (Amsterdam) schrijft hierover: “Het komt mij voor dat de voorstanders van loting twee criteria door elkaar halen. Zij schijnen te zeggen: goede eindexamencijfers garanderen nog niet dat iemand een goede arts, leraar of wetenschappelijk onderzoeker wordt, omdat deze cijfers niets zeggen over de menselijke en contactuele kwaliteiten van goede leerlingen. Daarom kan men net zo goed, of eigenlijk democratischer en dus beter, loten, want die karaktereigenschappen zijn gelijkelijk verdeeld over goede en minder goede leerlingen. Gesteld al dat er inderdaad geen enkele correlatie bestaat tussen deze eigenschappen en de cijfers, dan nog is deze redenering niet zuiver. Immers men pretendeert helemaal niet te selecteren op díe kwaliteiten. Een selectie op cijfers berust m.i. op de overweging: gesteld dat wij net zoveel kans hebben op goede of slechte persoonlijke kwaliteiten bij beide groepen leerlingen, laten we dan tenminste selecteren op die andere noodzakelijke eigenschap voor een succesvolle beëindiging van de studie: zal de student het intellectueel aan kunnen. En zolang er geen betrouwbare “meerdimensionale” selectie kan worden toegepast, lijkt die naar cijfers mij de meest zinvolle”.

Ook Rik] van Dongen (Rotterdam) roert het probleem van het doel van de studie (en eigenlijk van het hele onderwijs) aan. Zijn betoog komt erop neer dat men een grove tweedeling kan maken in de doelstellingen: “a. men probeert met een universitaire opleiding de aankomende student een ontwikkelingsproces te laten doormaken, waarvan de precieze inhoud in samenspraak van studenten en docenten wordt bepaald. M.a.w. men neemt de student als uitgangspunt en het resultaat is het doorgemaakte ontwikkelingsproces; b. men stelt een “absolute” norm, in die zin dat een aankomend student na een aantal jaren een vantevoren vastgestelde hoeveelheid leerstof moet kunnen beheersen. M.a.w. men neemt de te beheersen stof als uitgangspunt en meet het resultaat af aan het al dan niet beheersen ervan. Bij het eerste doet het er minder toe wat voor eindexamencijfers de aankomende student heeft behaald. In het tweede geval zal dit belangrijker zijn (tenminste in die gevallen, waar een positieve samenhang bestaat tussen eindexamencijfers en het in staat zijn zich binnen een bepaalde tijd een bepaalde hoeveelheid stof eigen te maken)”.

Functie van de universiteit

Ik geloof, met Van Dongen, dat een deel van de controverse terug te voeren is op een verschil van mening over de functie van een universiteit. Naar aanleiding van mijn opmerking “Loting is ten opzichte van begaafde V.W.O.-leerlingen een grove onrechtvaardigheid” schrijft Van Dongen: “Ik zit met de vraag of selectie op grond van goede eindexamencijfers niet een grove onrechtvaardigheid is t.o.v de minder begaafde VWO-leerlingen. Hebben zij niet óók recht op universitaire ontplooiingsmogelijkheden?” Terecht wijst hij erop dat ik, waar ik stel dat ik “overtuigd ben van het plezier dat een mens heeft van de prestatie die hij levert, op welk gebied dan ook” in de volgende zin het alleen nog maar heb over “begaafde jonge mensen” die in staat moeten .worden gesteld “zich verder te bekwamen in het vak van hun keuze”. Van Dongen kan ervan verzekerd zijn dat ik dit onverkort laat gelden voor alle jonge mensen. Het punt is alleen, dat het artikel ging over de Universiteit.

Ik dacht dat het doel van het onderwijs moest zijn (jonge) mensen te begeleiden en te helpen zich te ontplooien, zodanig dat ze later een plaats in de maatschappij kunnen innemen waarin ze gelukkig zijn, omdat die plaats overeenkomt met hun aanleg en belangstelling. Aangezien nu aanleg en belangstelling van mensen zo sterk verschillen, zijn er ook verschillende vormen van onderwijs. Het lijkt me niet verstandig te proberen de universiteit te richten op mensen met een sterk verschillende aanleg voor studie, wél op mensen met een verschillende belangstelling. Uit dit laatste komt de grote diversiteit aan studierichtingen voort: deze maakt de Universiteit “universeel”.

Naar mijn mening is het een foute politiek – hoe sympathiek ze ook moge klinken! – om koste wat het kost ook de duidelijk minder begaafde jonge mensen binnen het huidige systeem een universitaire opleiding te willen geven. Natuurlijk is ook een ander systeem mogelijk, zoals het “adaptieve systeem” waarbij elke student onderdelen die hij “aankan” kan kiezen en in zijn eigen tempo verwerken. Hij zou dan de universiteit verlaten met een “dossier-diploma” waarin precies staat wat hij heeft gedaan. Toch: van het selectieprobleem is hij dan ook niet af, want zijn werkgever zal zijn “dossier” beoordelen. (De Bruijne en Mellenbergh, Universiteit en Hogeschool, december 1973.artikel)

Het lijkt me onjuist als jonge mensen voor zich allemaal een universitaire opleiding opeisen, ongeacht hun capaciteiten. Ik zou het erg vinden als iemand (op welk niveau dan ook!) die plezier heeft in één of ander vak of hobby en dit vak of die hobby graag wil beoefenen hiertoe niet de kans zou krijgen. Maar de jongen met plezier in techniek hoeft nog niet naar de T.H. om ingenieur te worden en de amateurblokfluitist hoeft bepaald niet per se les te hebben van Frans Brüggen. Er behoren alternatieve mogelijkheden te zijn: in mijn voorbeeld een HTS en een goede muziekschool.

Hier nu komen de moeilijkheden naar voren: Prof. Wiebes (Leiden) schrijft “Ik vind het verschrikkelijk dat we, ondanks de kennis van een beter systeem van verwijzen, nog steeds alleen maar kunnen afwijzen als alternatief van toelaten”.

Betekenis van het eindexamen

Veel briefschrijvers benadrukken de grote verschillen die er in de toekomst zullen ontstaan tussen de scholen voor VWO wat betreft de waarde van de eindexamens.

Een Gymnasium-leerlinge schrijft, dat, hoewel de door mij gepubliceerde gegevens betreffende het verband tussen eindexamencijfers en studieresultaten overtuigend klinken “selectie op het gemiddeld cijfer van de eindlijst verre van ideaal is. Waar namelijk géén rekening mee is gehouden is met het feit, dat vanaf nu de “mammoetkinderen” (na enkele proefklassen nu massaal) de Universiteiten gaan bevolken. Hun examen bestaat niet alleen uit een landelijk deel zoals vroeger, maar uit a) een groot aantal schoolonderzoeken, die van school tot school, ja zelfs van leraar tot leraar, verschillen en uit b) een centraal schriftelijk, dat wel landelijk is. Deze nieuwe manier van examineren heeft tot gevolg dat de waarde van het behaalde gemiddelde sterk daalt, daar sommige leraren hun school-onderzoeken (die ongeveer 50% van het eindcijfer behelzen) heel makkelijk maken om de leerlingen te helpen. Zo zal dus ook met ingang van komend jaar een groep met een 7,5 op de Universiteiten verschijnen, die dat cijfer zonder hulp niet hadden behaald. Op die manier is ieder rechtvaardigheidsgevoel verdwenen en verkies ik beslist een algemene loting.”

In de komende jaren zullen de eindcijfers dus niet meer van dezelfde vergelijkende waarde zijn als voorheen.

Overigens zou, naar veler mening, niet alleen het eindexamencijfer maar ook het tempo van de studie in het oordeel moeten worden betrokken. (Dit geldt, mijns inziens óók voor de beoordeling van het numeriek studierendement aan de Universiteiten en Hogescholen.)

Toelatingsexamen Universiteit

De onvergelijkbaarheid van de eindexamens van het VWO brengt veel schrijvers tot het voorstel om dan maar een toelatingsexamen voor de Universiteit in te stellen. Zo schrijft prof. Quispel (Leiden): “M.i. komen we alleen uit de impasse, wanneer de fictie van het universele en over heel Nederland identieke eindexamen wordt doorbroken, de schooltijd wordt afgesloten met een schooldiploma en het laatste schooljaar wordt besteed aan de voorbereiding tot sterk selectieve universitaire toelatingsexamens. Die kunnen dan immers gericht zijn op al die eigenschappen incl. de motivering, die voor de betrokken studie onmisbaar zijn.”

Dit standpunt wordt o.m. gedeeld door prof. Doornbos (Eindhoven), dr. Van der Kooi (Groningen), prof. Rörsch (Leiden), dr. Sjoerdsma (Arnhem) en prof. Smit (Utrecht).

Mijn mening is, dat waar nu aan het VWO veel meer autonomie wordt toegekend bij de bepaling van de “geschiktheid” van de door hen afgeleverde studenten, deze autonomie aan de ontvangende instelling niet kan worden onthouden, temeer daar de verschillende studierichtingen wél inspraak is gegeven in het gewenste eindexamenpakket van de toekomstige studenten. Mr. Ter Kuile-van der Hoeven (Rotterdam) schrijft hierover: “Hoe kan men waar maken dat de Universiteiten bepaalde vakken noodzakelijk achten voor een bepaalde studie, maar vervolgens de prestaties van de aanstaande student op dit terrein kennelijk als niet ter zake doende negeren?”

De door mij bepleite autonomie zou kunnen resulteren in een selectief toelatingsexamen of een selectief propaedeutisch jaar (een “brugklas”). Voor die studierichtingen waar (nogmaals helaas) een studentenstop is ingesteld, zou ik aan het eerste nog altijd de voorkeur geven boven loting. Een Gymnasiaste: “De beste oplossing lijkt me het invoeren van toelatingsexamens voor de faculteiten, liefst nog met motivering waarom die keuze gemaakt wordt.”

Door selectie bij de toelating, hoe ook verwezenlijkt zal naar ik hoop ook het VWO gesterkt worden in zijn pogingen om de kwaliteit van het onderwijs hoog te houden: van iemand die met een “zes” slaagt, moet de school de redelijke verwachting hebben dat hij of zij inderdaad “voldoende” capaciteiten heeft voor een universitaire studie.

Van de zijde van het VWO kreeg ik wat dit betreft steun. De heer De Geus (Den Helder) schrijft: “Ten slotte ben ik er zeker van dat ook het Middelbaar Onderwijs Uw actie als een steun in de rug zal ervaren”. De heer Traas (Ede), lid van het hoofdbestuur van het Nederlands Genootschap van Leraren merkt op: “Wie accepteert dat schifting d.m.v. het eindexamen zinvol is t.a.v. verdere studiemogelijkheden, accepteert in feite ook dat de verschillen in behaalde cijfers relevant zijn. De voorstanders van loting accepteren blijkbaar wel dat iemand die b.v. gemiddeld het cijfer 4 heeft gescoord op zijn eindexamen ongeschikt is voor verdere studie, dat iemand die gemiddeld 6 heeft gehaald in principe geschikt is, maar ze aanvaarden niet dat iemand die gemiddeld 8 heeft gehaald meer geschikt is dan de zessenhaler. Voor mij is de meest logische conclusie dat degenen die voorstanders zijn van handhaving van het eindexamen derhalve ook voorstanders zijn van selectie d.m.v. cijfers en anderzijds dat de “lotelingen” tevens voorstanders zijn van afschaffing van het eindexamen.”

Cijfertjesjagerij

In de “Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp tot verlenging en wijziging van de Machtigingswet Inschrijving Studenten” staat onder punt 3: “Door het verlenen van extra rechten aan hoge eindexamencijfers wordt vervolgens een ongewenste (extra) druk uitgeoefend op het voortgezet onderwijs. Er zal daardoor op het Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs een versterkte prestatiedrang ontstaan die met name op een aantal vakken en vormingsgebieden is gericht. De aandacht en de belangstelling van de leerlingen voor die onderdelen die niet in het eindexamen zijn opgenomen, dreigt hieronder ernstig te lijden en het risico is niet gering dat een verschraling van de vorming op het voortgezet onderwijs hiervan op de duur het gevolg is. De extra kans die in een gemengd stelsel aan hoge cijfers wordt verbonden, legt bovendien niet alleen op de leerlingen, maar ook op de docenten een grote druk, waarbij in het kader van het huidige beoordelingssysteem, waarin subjectiviteit een grote rol speelt, onbillijkheden en een geleidelijke “cijferinflatie” niet uitgesloten moeten worden geacht.” De grote rol van subjectiviteit bij het huidige beoordelingssysteem wordt hier duidelijk toegegeven.

Een wel héél zwartgallige situatie ontstaat als een numerus fixus wordt gekoppeld aan een vergelijkend examen, zoals De Bruyne en Mellenbergh artikel ons heel beeldend voorhouden: “de consequenties van deze wijze van selecteren lijken toch in elk geval weinig minder dan desastreus voor het onderwijs dat aan dat toelatingsexamen voorafgaat, de propedeuse derhalve. Dat studenten elkaar nog veel zullen helpen met de studie, valt niet te verwachten: ze verminderen er alleen maar hun eigen kansen mee. En tijd en energie besteden aan onderdelen die op zich zelf hoogst waardevol zijn maar niet meetellen voor het examen – bij voorbeeld omdat zij niet objectief gemeten kunnen worden – lijkt zo ongeveer het domste wat je als student zou kunnen doen.”

Dr. Reddingius wijst er terecht op dat door de “inflatie” van de cijfers en het stijgend aantal studenten bij een gelijkblijvende numerus fixus de normen steeds hoger zullen worden: “Wat moeten nu die leraren en deskundigen die zitten te weifelen of een bepaalde kandidaat een 5 of een 6 krijgen (of een 6 of een 7) en die weten dat die kandidaat bijvoorbeeld medicijnen wil gaan studeren? Ze weten dat ze hem of haar ernstig duperen als ze hem een iets te laag cijfer geven, want dat drukt het gemiddelde, een half puntje te kort en je bent weg. Cijfers zullen dus de tendentie vertonen naar boven te worden afgerond. Het aantal studenten stijgt so wie so, en misschien stijgt dus bovendien het percentage studenten met 7,5 of meer. Over enkele jaren kunnen we ook die 7,5-lui niet meer allemaal toelaten en de norm gaat worden opgetrokken tot 8,5 want de door jou gegeven argumenten blijven geldig, en volgens jouw tabelletjes is 8,5 nog een veel beter selectiekriterium dan 7,5.”

Naar mijn mening moeten die leraren eerlijk bij zichzelf te rade gaan en de leerling het cijfer geven dat hij verdient. Natuurlijk ben ik tegen “cijfertjesjacht”, maar ik ben ervan overtuigd dat dit bij de werkelijk zeer begaafden nauwelijks een rol speelt.

“Het is ongelofelijk dat in een land waar op ethische gronden de roulette is verboden, de toekomst van de kinderen een kansspel dreigt te worden.” (Dr. Dijstelbergen, Marum)

De mythe van de brave bleke bolleboos

Nu ik de belangrijkste argumenten tegen enkele aspecten van mijn artikel heb weergegeven, wil ik nog enkele onderwerpen aanroeren die briefschrijvers naar voren hebben gebracht die het met de strekking eens waren. Van zeer verschillende zijden is het beeld van de “brave, éénzijdig intellectueel-begaafde traditionele leerling met de hoge cijfertjes” dat de Contact-Commissie Research Wetenschappelijk Onderwijs haar lezers voortovert, sterk bestreden. Een moeder schrijft over haar dochter: “Zij is nu 17 jaar, zit in 5B van het …Gymnasium… en is een zeer begaafd meisje met tot nu toe uitstekende rapport cijfers: dit jaar alleen achten en negens met een keer een 7. Deze cijfers zijn niet aan extra grote inspanning te danken maar aan een combinatie van goed verstand, efficiënt werk indelen en geconcentreerd werken. Zij doet naast haar schoolwerk nog veel andere dingen: tennissen, dansles, zeer verdienstelijk knutselen, eigen kleren naaien, enorm veel lezen (ook Engels, Frans, Duits), ze heeft vier jaar lang de schoolbibliotheek verzorgd; ze zit in het bestuur van de schoolvereniging en heeft daaruit voortvloeiend dit jaar met andere leden van het bestuur (waarvan zij penningmeesteresse is) allerlei avonden van de leerlingen georganiseerd, enz. enz. Kortom geen eenzijdige blauwkous maar een veelzijdig begaafd kind. De moeilijkheid is dat zij vele studies zou kunnen kiezen, maar sinds haar vroege kinderjaren al heeft gezegd dat zij… medicijnen wil studeren. Alles duidt erop dat zij wat intelligentie, doorzettingsvermogen, handvaardigheid en creativiteit die studie goed zou voltooien.” (Met de nu voorgestelde regeling is er een kans dat dit meisje zou worden uitgeloot. K. B.)

Nu kun je met voorbeelden wél iets illustreren maar niets bewijzen. Immers, “knappe Piet” die het toch niet haalde valt erg op, natuurlijk, want knappe pieten zijn zeldzaam en daardoor al opvallend. Hun falen wordt dan een geval dat iedereen in hun omgeving ziet en zich herinnert.

Ik was daarom erg blij met de brief van prof. Van Heek, emeritus hoogleraar in de sociologie aan de Rijksuniversiteit Leiden, leider van het “talenten project” (“Het verborgen talent”, 1968). Hij schrijft: “Terecht vestigt U er in Uw artikel de aandacht op, dat de kritiek die door de nivelleerders op de persoonlijkheid van aspirant-studenten met gemiddeld hoge examencijfers wordt uitgeoefend (zie B. Wilbrink [en Hans van der Vleugel, BW] in “Onderzoek van Onderwijs”, 1 -4 -1974, blz. 4 hier), niet met feitenmateriaal wordt ondersteund. In de studie van Lewis M. Terman en Melita H. Oden “The gifted group at midlife, thirty-five years’ follow-up of the superior child” (Londen, Oxford University Press, 1959) komt duidelijk naar voren dat deze jongelui geenszins tot de “vakidioten” opgroeien, waarvoor zij thans zo gemakkelijk worden uitgemaakt.”

De heer Traas (Ede) benadert de zaak van de zijde van de leraren waar hij opmerkt: “Maar laten we nu eens kijken naar die leerlingen, vanuit onze eigen praktijk, en een groep van zesminhalers vergelijken met een groep van achtplushalers. Bij welke groep vind je de grootste dociliteit en eenzijdigheid? Naar mijn smaak vind je: onder de achtplushalers – alleen, die zijn er niet zoveel, dus het is moeilijk om je een flinke groep voor de geest te halen – méér veelzijdigheid, interesse en onafhankelijkheid dan onder de zesminners. In ieder geval zal ieder het er wel mee eens zijn dat het dwaas om aan te nemen dat hoe hoger het cijfer is, hoe hoger de dociliteitsgraad. Wie als leraar de hand in eigen boezem steekt zal daarentegen moeten toegeven dat het nog wel eens voorkomt dat de zwakbegaafde, maar brave en hardwerkende leerling beloond wordt met een zesje (of een promotie) met de argumentatie: “een hoogvlieger is het bepaald niet, maar hij is gewillig, hij heeft er hard voor gewerkt en we moeten hem de kans geven”. Als er in het secundair onderwijs de neiging bestaat om dociliteit, aanpassing en eenzijdige begaafdheid te stimuleren dan werkt dat het sterkst in op de middengroep, omdat die het meest afhankelijk is van het systeem”.

Democratie en gelijkheid

Ettelijke briefschrijvers wijzer erop dat de voorkeur voor loting voortspruit uit een huns inziens volkomen onjuist beeld van de democratie. Prof. Hulst-Steyn Parvé (Utrecht) schrijft “Vermoedelijk komt deze domme loting voort uit een verkeerd begrip van wat “democratie” inhoudt. De aanhangers van dit systeem zijn blijkbaar de uitspraak van Winston Churchill vergeten dat democratie behoort te zijn: de achterlopers te helpen bij te komen en niet: de voorlopers tegen houden. In vele ons omringende westerse landen, op wier democratische gezindheid niemand hier afdingt, bestaat selectie voor het wetenschappelijk onderwijs al heel lang en wordt als vanzelfsprekend aanvaard. Het rendement van dit onderwijs is er ook navenant beter dan bij ons”.

In een brief aan staatssecretaris Klein noemt prof. Jeuken (Leiden) als een van de vier foutieve vooronderstellingen waarop de keuze voor loting berust: ,,De vierde vooronderstelling is gelijkheid en gelijkwaardigheid identiek zouden zijn. Volgens de UNO-verklaring van de rechten van de mens (artikel 1) zijn de mensen gelijk in waardigheid en rechten. Iedere bioloog weet dat de mensen niet aan elkaar gelijk zijn, er is een onderscheid tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid. Dit houdt in dat de begaafden voor een bepaalde studie ongelijk zijn. Wanneer slechts alleen loting als selectiemiddel wordt toegepast,zodat daardoor de kans gelopen wordt dat evident begaafden van de studie worden uitgesloten, is dit voor mij onaanvaardbaar. Het is een grove rechtvaardigheid jegens de begaafden, indruisend tegen de rechten van de mens”.

Loting remt inspanning

Hoewel sommige idealisten wel zouden wensen dat (jonge) mensen zich inspannen zonder uitzicht op een of andere vorm van beloning, geloof ik toch dat dit wel te veel gevraagd is van het idealisme van de meesten: het lijkt mij althans uiterst frustrerend als er totaal geen relatie meer bestaat tussen de geleverde prestatie en de beloning. Een Atheneum-leerling schrijft: “Indien de loting-regeling ten uitvoer gebracht zou worden, zou dit mijns inziens de werklust der kandidaten aanzienlijk doen verminderen, wat de kwaliteit der kandidaten niet ten goede komt”.

Mr. Van Panthaleon baron Eck (Rotterdam) schrijft dat een leerling moet beseffen “dat zijn inspanningen zin hebben, hetgeen slechts stimulerend kan werken, en wordt voorkomen dat men gaat redeneren: waarom zal ik mij druk maken, ik moet t.z.t. toch loten, dus of ik al of niet hard werk doet er toch niets toe, hetgeen slechts ondermijnend kan werken op iemands volharding en motivatie”.

Loting is asociaal

Door verscheidene briefschrijvers is erop gewezen dat loting asociaal is. Zo schrijft prof. Van Heek: “De voorgestelde regeling allen te laten loten is sociaal daarom onrechtvaardig, omdat hierbij gefortuneerde bekwame aspirant-studenten bij uitloting nog kunnen trachten in het buitenland te studeren, terwijl hun niet gefortuneerde lotgenoten met even goede studieresultaten dit niet kunnen doen”. Jhr. ir. Laman Trip (Den Helder) zegt dat het huidige beleid “in feite het klasseverschil in opleidingskansen weer invoert. Tot nu toe kon ieder die wilde aan een universiteit studeren, ongeacht zijn inkomen. Straks is uitloten voor de laagstbetaalden fataal. Wie een hoog genoeg inkomen heeft kan zijn zoon of dochter als die uitloot altijd nog naar een buitenlandse universiteit sturen. Dat is wel erg duur, maar de moeite waard als het betrokken jongmens de bekwaamheden heeft die een zodanige studie verantwoord maken”. De heer en mevrouw Van Dam (Rotterdam) herinneren ons eraan “dat vroeger juist studiebeurzen werden gegeven aan de zeer begaafden en dat een leerling met allemaal negens en tienen zeker voor een studiebeurs in aanmerking kwam als de ouders de middelen niet hadden. Zo’n leerling zou dan in onze moderne tijd de kans lopen om enige jaren steeds toevallig mis te loten en zich dus niet verder kunnen ontplooien”.

Numerus fixus, selectie en politiek

Zoals De Bruyne en Mellenbergh artikel terecht stellen is “het al of niet instellen van een numerus fixus een politieke zaak. Als men een zeer hoge prioriteit verleent aan het universitaire onderwijs, dan zal men, bij een toenemend aantal studenten, geen numerus fixus instellen maar nieuwe academische instellingen oprichten”. “Het argument voor een numerus fixus is derhalve: gebrek aan middelen, en niet: schaarste aan bekwaamheid. Het argument is politiek-economisch, en niet onderwijskundig. Men moet dan ook geen quasi-onderwijskundige selectie-van-de-knapsten – wat immers niet lukt – uitvoeren. Een veel reëler alternatief is, hoe vervelend ook voor de betrokkenen, stomweg loten”. Naar mijn mening is deze selectie wél mogelijk. Het is jammer dat hun sympathieke betoog voor een totaal nieuwe opzet van de universitaire studies (het “adaptief systeem”) door dit soort uitspraken wordt ontsierd. Natuurlijk is het mogelijk om door betere onderwijsmethoden het percentage studenten dat aan bepaalde (gelijkblijvende!) normen voldoet te verhogen, en dit is ook zeer verheugend. Maar het is geen “bewijs” voor de stelling dat het met de schaarste aan bekwaamheid c.q. geschiktheid voor academische studies wel meevalt. Bij de bepaling van het “rendement” van een studieonderdeel kan men niet volstaan met een “percentage geslaagden”: daar moet de tijd en energie van studenten en docenten in worden verdisconteerd.

Een aspect dat ik helaas wel moet bespreken omdat het uit een aantal brieven naar voren komt, is de volgens velen bewust eenzijdige voorlichting door de voorstanders van loting. Prof. Begeer (Rotterdam) schrijft: “Ik zou mij graag voegen bij degenen die met u verontrust zijn over de wijze waarop Nederland onder de vlag van wetenschappelijk onderzoek van onderwijs geïndoctrineerd wordt”. Hem was indertijd door wijlen prof. Posthumus gevraagd een kritische beschouwing te schrijven naar aanleiding van een volgens hem sterk overschat artikel van dr. Hazewinkel, dat door de voorstanders van loting veel geciteerd wordt, en op eenvoudige wijze voor een groter publiek herschreven is. “Deze beschouwing is gepubliceerd in “Selektie van studenten”, een brochure van de Overlegcommissie tertiair onderwijs (OTO) [p. 177-191, BW]. Deze brochure bevat het – enigszins gewijzigde – artikel van Hazewinkel, een beschouwing van Posthumus, alsmede mijn bijdrage [p. 192-197, B.W.]. De brochure is destijds samengesteld op initiatief van Posthumus en bedoeld om achtergrond-informatie te leveren ten behoeve van een openbare hoorzitting in juli 1972 van de vaste commissie voor wetenschapsbeleid en wetenschappelijk onderwijs inzake het wetsontwerp Herstructurering wetenschappelijk onderwijs. Hoewel een ieder die betrokken is bij onderwijsresearch ongetwijfeld op de hoogte zal zijn van het bestaan van deze brochure, wordt er nooit naar verwezen, wél echter naar het artikel van Hazewinkel. Ik schrijf u dit niet om aandacht voor mijn verhaal te vragen, maar ter adstructie van de stelling dat de C.R.W.O. heel bewust selectief te werk gaat. Gelovigen zijn welkom, ketters worden geweerd”. Hij eindigt zijn brief met: “Er is (derhalve) op nationaal niveau ander materiaal voorhanden, maar dit wordt stelselmatig genegeerd. U zult begrijpen dat ik niet voortdurend tegen de misleiding ten strijde trek”. Ettelijke schrijvers zijn van mening dat het een tactiek is van de “actiegroep” van voorstanders van loting nooit in te gaan op redelijke tegenargumenten: “Ze hebben daar immers geen belang bij?” Het ontbreken tot dusver van een reactie uit de hoek van het C.R.W.O. zou hiervan een duidelijk teken zijn. [K.L. Poll heeft geen contact gezocht voor een reactie met mij, Hans van der Vleugel, of CRWO, B.W.]

Nivellering

Het valt niet te verwonderen dat een groot aantal briefschrijvers in de voorgestelde procedure een duidelijke tendens tot nivellering ziet. Een inspecteur bij het Lager Onderwijs: “Het komt mij voor dat de tendens tot “nivellering”, die zo duidelijk aan de dag treedt bij het financieel-economisch beleid, ook doorgevoerd dreigt te worden op het culturele vlak. Hoewel ik me kan verenigen met het creëren van zoveel mogelijk “gelijke kansen” voor ieder kind – mijn doctoraalscriptie was aan dit onderwerp gewijd – meen ik me toch te moeten verzetten tegen het “gelijk maken” van mensen. Mensen zijn nu eenmaal niet gelijk en moeten dat niet worden ook! Het ideaal van het scheppen van gelijke kansen voor de verschillende milieugroepen heeft echter niet tot spectaculaire veranderingen geleid. Vandaar dat ik het gevoel heb, dat men de gewenste resultaten wil forceren, hetgeen tot uiting komt in een steeds verder gaande ondermijning van de examens aan de ene kant en een afremmen en kleineren van prestaties van de zeer intelligente leerlingen anderzijds. Er wordt van alles gedaan voor de minder-begaafde leerlingen”.

Mevrouw Van Schravendijk-Alberdingk Thijm (Den Haag) schrijft: “Het onderwijsbeleid in Nederland lijkt er al jaren op gericht te zijn, degenen die de meeste aanleg hebben voor een academische studie het plezier in het leren bij voorbaat te ontnemen. De brugklas is voor hen een periode van verveling, en komt de middenschool er, dan wordt dat een periode van 3 jaar; in de hoogste klassen VWO kunnen de B-leerlingen eigenlijk slechts één moderne taal leren; en tenslotte hangt dan de mogelijkheid, verder te studeren, en eindelijk hun bekwaamheden ten volle te ontplooien, af van het blinde lot”.

Zelfs uit het buitenland is gereageerd. Zo schrijft mr. Wiessing uit Addis Abeba: “Tijdens gesprekken met leraren in Nederland krijgen wij de indruk, dat tegenwoordig de tendens bestaat om studieonderwerpen en -eisen maar aan te passen aan het bevattingsvermogen van het gemiddelde kind (gevolg: het gemiddelde kind is later geschikt voor haast alle vormen van hoger onderwijs…), terwijl de leerling met een goed verstand en de wil om te werken zich ook aan dat niveau moet aanpassen en de rest van zijn energie – of hij dat wil of niet – maar ergens anders op moet richten. Kosten noch moeite worden gespaard voor het kind dat te ver beneden het gemiddelde ligt. Voor hem bestaan de bijzondere scholen, uit menselijke overwegingen zeer toe te juichen, mits hierbij een redelijk evenwicht gehandhaafd blijft tussen het hiermee bereikte individuele menselijke geluk en de gemeenschapsgelden hieraan gespendeerd. Het wonderlijke is echter, dat voor het bijzonder begaafde kind geen apart zwaarder onderwijs bestaat.”

Hij vraagt zich af waarom Nederlanders hun intellectuele elite niet cultiveren: “Onbewuste of bewuste angst van de grote groep middelmatigen die geen afwijkingen naar boven dulden en door hun grote aantallen ook onmogelijk kunnen maken? “Tyranniek gedrag” is vermoedelijk het laatste waaraan deze groep zou denken, maar toch… toen 2500 jaar geleden, tijdens een wandeling in een korenveld de jonge Periander van Corinthe aan Thrasyboulos, tyran van Milete, vroeg hoe je nu eigenlijk het beste tyran kon worden, had Thrasyboulos een duidelijk antwoord: hij sloeg met zijn wandelstok iedere korenaar af die boven de anderen uitstak.”

Alternatieven

Onder de briefschrijvers zijn er een aantal die (helaas) de zaak al als verloren beschouwen en voorstellen doen om de begaafde studenten dan maar “illegaal” te helpen. Dr. Jacobs (Leiden): “tegen een systeem dat door en voor middelmatigen is ingesteld opboksen lijkt me verloren tijd. Slimheid is het enige, want dingen worden niet bereikt dank zij systemen, maar ondanks. In dit geval: trachten de begaafden te ontdekken, te boeien, te vormen, te helpen, zodat ze in zichzelf gaan geloven, en dat alles zo officieus mogelijk.”

Het hanteren van de “7,5-norm” als gemiddelde van alle eindexamencijfers waarboven loting niet nodig is, wordt door veel schrijvers niet gewaardeerd.

Het is ook al gezien de grote verschillen in beoordeling tussen de scholen, zeker door de menging van een voor de buitenwacht “zacht” schoolonderzoek met een “hard” landelijk examen, moeilijk vol te houden dat er verschil bestaat tussen 7.4 en 7.6. Zelf vind ik het minder ernstig wanneer er studenten ten onrechte worden toegelaten dan wanneer studenten ten onrechte worden afgewezen, al onderschat ik de teleurstelling en het verdriet van degenen die falen niet. Prof. Van Heek zegt hierover: “De staatssecretaris toont zich onverschillig voor het grote leed en tijdverlies, dat de toenemende studiemislukking onder het door hem voorgestane stelsel van algemene loting zal veroorzaken.”

Conclusie

Mijn (misschien voorlopige) conclusie is, dat hoewel de numerus fixus een politieke zaak is, de selectie dit niet behoort te zijn. De selectie is een zaak van de ontvangende autonome wetenschappelijke instelling, de universiteit. Het lijkt me onaanvaardbaar als de regering de universiteiten zou voorschrijven wie ze, behalve de bezitters van bepaalde diploma’s, zouden moeten toelaten, c.q. verder laten studeren. Dit is uitsluitende competentie van de universiteiten zélf: de integriteit van de docenten behoort de kwaliteit te waarborgen van de afgestudeerden.

Het VWO en de universiteiten en hogescholen zouden zodanig moeten samenwerken dat wat de ene instelling aflevert door de ander in goed vertrouwen kan worden opgenomen. We vermijden dan weer nieuwe obstakels, zoals “toelatingsexamens” (waar ik onder de huidige omstandigheden niet altijd tegen ben). Mocht dan alsnog het aantal studenten in één of andere studierichting “te groot” worden volgens onzer regering, dan moeten de universiteiten – hoe groot de bezwaren hiertegen ook zijn – wel een vergelijkend toelatingsexamen laten afleggen. De onbillijkheden die hieruit voortkomen zijn dan niet de verantwoordelijkheid van de universiteiten.

Tot slot moet me van het hart dat ik bijzonder gelukkig was te merken dat mijn collega’s en de stafleden die het met de strekking van mijn betoog eens waren behoren tot alle politieke richtingen: PSP, PPR, D’66, PvdA, KVP, AR en VVD. Het blijkt dus mogelijk om eens een keer een probleem (althans buiten de Kamer!) ook buiten de partijpolitiek te houden.

Ik stem volledig in met prof. Van Heek, als die schrijft: “Het is zeer gewenst dat deze gegevens de onderwijscommissie van de Tweede Kamer zullen bereiken en dat belangstellende leden hierop opmerkzaam worden gemaakt. Gaarne ben ik bereid eventueel een desbetreffend stuk mede te ondertekenen. Het advies van de Commissie Wiegersma, ingesteld door de Academische Raad [12 juni 1973, niet dat van februari 1973, neem ik aan, BW: pdf p. 5-8], welk commissie op grond van andere gegevens tot dezelfde conclusie kwam als U, is door de staatssecretaris afgewezen. Dat de verantwoordelijke beleidsinstantie evenmin aan Uw gegevens waarde toekent – gegevens die nog overtuigender zijn dan die van de Commissie Wiegersma – is typerend voor de overhaasting en eenzijdigheid waarmee het voorstel tot algemene loting bij de Tweede Kamer is ingediend.”

PROF. DR. K. BAKKER

Zoölogisch Laboratorium

Kaiserstraat 63 Leiden.

NRC Handelsblad is in het publieke domein beschikbaar op Delpher, tot ca. 1990. Maar Delpher is niet echt makkelijk leesbaar, terwijl bovendien de randkolommen beroerd gescand zijn omdat de bladen niet uit de leggers zijn losgehaald. Ik ben dus maar zo vrij om de tekst netjes te maken, en hier beschikbaar te stellen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s