Alle geslaagden zijn geschikt. Geïnformeerde burger vs. expert

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

geïnformeerde burger vs expert

t Hooft: Men moest zich schamen NRC-Handelsblad 26 april 1997



Vooraf, bw

  • Een ingezonden brief van Gerard ‘t Hooft aan NRC Handelsblad zou het onderwerp van deze blog moeten zijn. Maar ik stuitte op het probleem hoe ik zijn betoog zinvol zou kunnen behandelen. Dat leverde een omdraaiing op: ik behandel eerst het vraagstuk hoe om te gaan met de miscommunicatie tussen expert en, laat ik zeggen, de geïnformeerde burger. Dat levert mij een theoretisch kader waarbinnen ik de analyse van de claims van ‘t Hooft een zinvolle plaats kan geven.
  • Er staat mij bij dat ik destijds wel een brief (email) heb gestuurd aan ‘t Hooft, en dat ik daar ook antwoord op heb gekregen. Maar ja, hoe vind je zo’n oude email terug? Hoe dat ook zij, reacties van hoogleraren met een leeropdracht die echt buiten de thematiek van selectie en onderwijs ligt: categorie ‘Dunning-Kruger’. Ik besteed er toch maar enige aandacht aan, in parafrase en annotatie. Ik heb ervoor gekozen om de bespreking van de argumenten van ‘t Hooft in te kaderen in de thematiek van de geïnformeerde burger versus de expert, zoals we die bijvoorbeeld het afgelopen jaar zichh ook hebben zien uitspelen aan de vele praattafels over de corona-crisis.



G. ‘t Hooft (1997). Loterijspelletje. NRC-Handelsblad 26 april 1997. http://www.phys.uu.nl/~thooft/lot.html




Om te beginnen. Gerard ‘t Hooft ondertekent zijn ingezonden brief als Hoogleraar Theoretische Natuurkunde, Utrecht (zijn nobelprijs kreeg hij twee jaar later, in 1999). Ik vind daar iets van. Het is oké wanneer de brief een theoretisch-natuurkundige inhoud heeft. Wat niet het geval is. Ook kan ik me voorstellen dat hoogleraren in een numerus fixus opleiding iets vinden van de methode waarop de getalsreductie wordt bereikt, maar dan wel zonder vermelding van de eigen leeropdracht. Maar ik heb nog niet gehoord dat er voor natuurkunde of wiskunde een numerus fixus zou dreigen. Het omgekeerde kan wel een probleem zijn: dat jonge mensen die zich tot natuurkunde voelen aangetrokken, en hoge eindexamencijfers in het vooruitzicht hebben, verlokt worden door een vrije toegang tot de studie in de geneeskunde. Dan gaan zij dus verloren voor de natuurkunde, wat ik een maatschappelijk verlies zou willen noemen. Maar dat is dus niet de reden dat ‘t Hooft deze brief heeft geschreven.


Laat ik de brief van ‘t Hooft eens karakteriseren door er een aantal termen uit te pakken:

gedwongen – loterijspelletje te spelen – erger ik me – muntstukje opgooien – zekerheid – gediscrimineerd – Kafka ten voeten uit – ‘Men moest zich schamen’ – ‘Ieder loterijsysteem is onrechtvaardig en berust op denkfouten’ – ‘harde gegevens zoals prestaties op school’ – ‘Alles is beter dan loten’


Lijkt dat op quantummechanica? Er is geen kat te bekennen, toch?


‘t Hooft ergert zich al jaren aan dat loten voor wie een studie met een numerus fixus kiest. Want dat komt toch zo’n beetje neer op behandelend artsen die een muntje opgooien bij het kiezen van een behandeling. Serieus? ‘t Hooft gaat hier uit van de vooronderstelling dat loten als methode is bedacht door warhoofden (een beschuldiging aan mijn adres door een andere brievenschrijver die ik overigens hogelijk waardeer: Edsger Dijkstra). Maar dat is natuurlijk niet zo. De argumenten van bijvoorbeeld Ger Klein, de staatssecretaris van Hoger Onderwijs in 1975, zijn gegeven in zijn Memorie van Antwoord hier. Oké, 1997 is een ander tijdperk, maar dan gaat het toch om de argumenten van de Commissie Drenth hier, waar ‘t Hooft wel kennis van moet hebben genomen. Maar ik mis waarom die commissie het dan helemaal bij het verkeerde eind zou hebben, volgens ‘t Hooft.


Hoe om te gaan met een ingezonden brief van een toekomstig nobelprijswinnaar waar echt gekkigheid in staat over een onderwerp heel ver buiten zijn leeropdracht? Praktisch bekeken: ‘t Hooft oefent daarmee geen geringe druk uit op de (politieke) meningsvorming, en dat is uiteraard ook zijn bedoeling, en zet andere deelnemers aan het maatschappelijke en politiek debat weg als moreel gestoorde individuen: ‘Men moest zich schamen’. Ik moet er dus iets mee, ook al omdat ‘t Hooft bepaald niet de enige is die zich, met alle academische parafernalia, in de strijd werpt.


Zou ‘t Hooft zijn academische reputatie echt in de waagschaal willen stellen met deze brief? Bijvoorbeeld door deze te publiceren in een natuurkundig toptijdschrift? Ik refereer aan een boeiende verhandeling van Willem Hofstee over het wetenschapsbedrijf De empirische discussie (Boom; 1980), over de weddenschap als middel om wetenschappelijke paradigma’s tegenover elkaar te zetten. Dat boek is uitverkocht, maar zie een later artikel ‘Methodological decision rules as research policies: A betting reconstruction of empirical research’ paywalled of via scihub. Voor alle duidelijkheid: in een verleden (1974) hebben de gezamenlijke centra voor onderzoek van het wetenschappelijk onderwijs (ieder verbonden aan een universiteit) hun reputatie op het spel gezet door uit te leggen hoe in de bijzondere Nederlandse situatie van een numerus fixus voor o.a. geneeskunde loting onder de gegadigden een methode is die qua voor- en nadelen zich gunstig onderscheidt van andere, traditioneel meer gebruikelijke, methoden. Ik was daar, met Hans van der Vleugel, destijds de penvoerder van, met de opinie in Onderzoek van Onderwijs hier. Ik heb gemerkt dat ik hiermee mijn reputatie behoorlijk op het spel heb gezet. Maar dat was toch alleen bij, zeg maar, de buitenwacht. Binnen mijn eigen discipline is die reputatie veeleer juist gevestigd. En zo hoort het ook.


Ik ben bij deze brief van ‘t Hooft dus gehouden aan een inhoudelijk zuivere bespreking van de argumenten die ‘t Hooft inbrengt. Dat zal ik proberen, het moet allemaal wel in kort bestek, maar als mij dat nu nog niet lukt, wanneer dan wel? En wie gaat oordelen of mijn argumenten ertoe doen? ‘t Hooft? Of mijn vakgenoten? Dat lijkt me een retorische vraag. U, als lezer, hebt ook te oordelen, want selectie-aan-de-poort van de universiteit is nog bijna dagelijks aan de orde en in discussie: zijn mijn argumenten relevant?


Als het op stemmen aankomt, dan telt iedere stem gelijk, maar het gaat hier niet om een stemming, maar om een inhoudelijke discussie. Welnu, is de hoogleraar op de hoogte van het onderwerp waarover hij schrijft, of niet? Anders gezegd: benadert hij het probleem zoals een nieuweling een natuurkundig probleem aanpakt, of doet hij het zoals een expert zou doen? De nieuweling begint vanaf de oppervlakkige kenmerken van het gestelde probleem, de expert ziet de dieptestructuur en betrekt de relevante contexten erbij. Zie bijvoorbeeld, als ingang tot de onderzoekliteratuur: Michelene T. H. Chi, Paul J. Feltovich, Robert Glaser (1981). Categorization and Representation of Physics Problems by Experts and Novices. Cognitive Science free access (Scholar: cited by 7501). Ik heb deze verdieping nodig, want het probleem speelt bij voortduring in de discussie over toegankelijkheid van onderwijs: experts staan vaak tegenover geïnformeerde leken, of omgekeerd. Het is voor de expert buitengewoon ongemakkelijk om zichzelf te afficheren als expert. Het is voor geïnformeerde leken niet altijd even makkelijk om zich door experts te laten corrigeren. Een voorbeeld van dat laatste is prof. dr. K. Bakker, uit Leiden, die in 1974 een ware publiciteitscampagne voerde tegen het aangekondigde voorstel van staatssecretaris Ger Klein om de 7½-regeling af te schaffen en te vervangen door loten voor iedereen. In die campagne kreeg hij naast ongelooflijk veel instemming, ook kritiek, waaronder kritiek van experts waarvan hij zich weinig tot niets aantrok. Dat zal geen onwil zijn geweest, maar onvermogen om de draagwijdte van ‘meningen’ van experts te overzien, of zelfs maar het idee te hebben dat het hier gaat om problematiek die valt binnen het bereik van bepaalde experts. Vandaar. Waar was ik gebleven. O ja, bij Chi, Feltovich & Glaser, een onderzoek dat niet een creatieve oprisping is, maar valt binnen een intensieve onderzoeklijn van o.a. de latere nobelprijswinnaar (economie) Herbert A. Simon.


Michelene Chi c.s. doen een viertal bescheiden onderzoeken waarin ze de probleemaanpak van nieuwelingen en experts vergelijken, bij natuurkundeopgaven zoals die in tekstboeken voorkomen. Dat zijn hier gesloten problemen: ze hebben een uitkomst die zonder twijfel juist of onjuist is. Toegankelijkheid van onderwijs is een open of beter: ongestructureerd probleem, maar dit terzijde. Chi c.s. vinden bevestigd wat overigens niet echt nieuw was: dat nieuwlingen zich laten sturen door oppervlakkige kenmerken van gestelde problemen, en experts door, zeg maar, de principiële kenmerken.

Een geïnformeerde leek als prof. Bakker zal op de proppen komen met tabellen die laten zien dat eindexamencijfers samenhangen met succes in de studie, waar een expert de vraag stelt naar validiteit van overwogen methoden. Validiteit is geen term uit het dagelijks spraakgebruik, maar een technische term, die het best omschreven is in de (Amerikaanse) ‘The Standards for Educational and Psychological Testing’ 2014 open access. Dat is dan om op gang te komen, want validiteit is niet de alfa en omega van selectie, en als technische term dekt het uiteraard niet de relevante context van het betreffende toegankelijkheidsvraagstuk. In de ‘Standards’ vindt u daar een en ander van terug waar het gaat om het gebruik dat van (individuele) testscores wordt gemaakt. Dat laatste haakt ook aan bij het recht (de wettelijke context) en ervaren recht (‘voice’, ‘theory of justice’, algemene beginselen van behoorlijk bestuur). Bij deze opsomming hoort ook het (onderwijs)onderzoek dat laat zien hoe alles wat bestuurderen ondernemen bij het regelen van toegankelijkheid van onderwijs, zijn weerslag heeft op gedragingen van belanghebbenden. Hofstee geeft er voorbeelden van in zijn oratie van 1969: ‘Selectie van personen’ (nee, niet online). Voor toetsen en examens geldt bovendien dat zij in een belangrijk kenmerk afwijken van psychologische tests: men bereidt zich er expliciet inhoudelijk op voor, terwijl dat bij psychologische tests juist zeer ongewenst is (zie hier). O ja, bij loten is er in ieder geval geen voorbereiding nodig of zelfs maar mogelijk.


Zo zijn we een beetje voorbereid op de brief van ‘t Hooft. In de eerste alinea schrijft hij het volgende. “Stel dat U Uw behandelend arts, die over Uw toekomstige gezondheid moet beslissen, een muntstukje zou zien opgooien, zou U dan ook niet protesteren?” Hier volstaat een eenvoudige wedervraag: Stel dat u een serieus medisch probleem hebt, gaat u daarvoor te rade bij uw buurvrouw die weliswaar geen arts is, maar wel een rijke geschiedenis van medische behandelingen heeft, of toch maar uw huisarts? Geïnformeerde leek, of expert?

De staatssecretaris van hoger onderwijs heeft een ernstig probleem dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs raakt, moet hij bij u, ‘t Hooft zijn, of bij relevante experts? (voorafgaand aan politieke besluitvorming in het parlement, dat is een ander circuit).


En dan deze uitspraak:

  • Ieder loterijsysteem is onrechtvaardig en berust op denkfouten. Men moet selecteren op grond van harde gegevens zoals prestaties op school, examenresultaten en eventuele andere overwegingen. Alles is beter dan loten.


Het is makkelijk opgeschreven, en als ‘ Hooft met de ‘denkfout’ bedoelt dat loten natuurlijk niet doelmatiger kan zijn dan selectie dan lijkt hij oppervlakkig gezien gelijk te hebben. Maar staatssecretaris Ger Klein was hem dan toch voor, in zijn Memorie van Antwoord in 1975 en in de media van 1974 en 1975: vrouwen scoren lager op hun eindexamens, en haken vaker af in de studie: wie streeft naar doelmatigheid moet ervoor kiezen vrouwen te discrimineren. Wie zonder meer eindexamenresultaten gebruikt om op te selecteren, discrimineert. Het parlement heeft in 1975 een discriminerende wet aangenomen: de gewogen loting maakt gebruik van eindexamencijfers. Doelmatigheid kan nooit een onvoorwaardelijk criterium zijn.

Nu is in de loop van enkele decennia de positie van vrouwen omgedraaid: zij behalen betere eindexamenresultaten, en waarschijnlijk ook studieresultaten. De studie in de geneeskunde is vervrouwelijkt. De artsenstand volgt. Het zijn nu de mannen die worden gediscrimineerd door naar eindexamencijfers te kijken, of naar verwacht studieresultaat.

‘t Hooft was er best dicht bij om zich te realiseren dat eindexamencijfers zo hun eigen problemen kunnen hebben: in antwoord op reacties op zijn website schrijft hij dat zijn dochter geen briljante eindcijfers had, maar wel een jaar vo had overgeslagen. En al twee keer uitgeloot was.

Het is dus onjuist dat ‘alles beter is dan loten’, zoals ‘t Hooft beweert. Maar als dat onjuist is, dan moeten er dus inhoudelijke argumenten komen om aan methode A de voorkeur te geven boven methode B. Ook als methode B ‘loten’ is.


Waar ‘t Hooft ook aan de oppervlakte blijft hangen is zijn claim dat gegadigden voor bijvoorbeeld geneeskunde, zich zekerheid van toelating moeten kunnen verschaffen. Het is een gedachte die past bij toelating van al wie gekwalificeerd is: zorg dan, als je dat kunt, dat je gekwalificeerd bent. Maar dat is bij een numerus fixus typisch niet de situatie: het aantal beschikbare plaatsen is strikt beperkt, er dreigt dus een competitie om die schaarse plaatsen, niks zekerheid. Overigens hoeft daar op zich niets mis mee te zijn. Edgeworth schreef erover, in 1888, zie hier. Ik heb ooit de zeer scherpe competitieve selectie voor de Nederlandse PolitieAcademie (geen publiek onderwijs, men kwam in dienst van Binnenlandse Zaken) geëvalueerd, 1990 zie hier. Maar zekerheid valt niet te eisen

Die zekerheid is voor ‘t Hooft ook aan de orde bij de loting. De Commissie-Drenth stelt voor de loting te beperken tot twee kansen, ‘t Hooft wil juist dat gegadigden na twee of drie keer loten in ieder geval worden toegelaten, omdat ze hebben laten zien enorm veel over te hebben voor toelating tot de betreffende studie. Op zich zijn er ook wel gegadigden toegelaten na vier keer uitloten, op titel van de hardheidsclausule, het is dus geen gekke gedachte. Maar het onmiddellijke gevolg ziet ‘t Hooft niet: de kansen op toelating voor nieuwe lichtingen gegadigden nemen snel af. In plaats van de Commissie toe te bijten dat ‘men zich moet schamen’, had de professor in de theoretische natuurkunde de moeite kunnen nemen naar de argumenten voor die beperking tot twee keer loten te kijken. Neem me niet kwalijk, maar enig sarcasme is hier toch wel op zijn plaats. Toch?


Wat tenslotte nog opvalt in de brief is dat ‘t Hooft niet helder krijgt op welke momenten de beslissing over toelating valt. ‘ Hooft construeert een ongelijkheid voor gegadigen omdat ze verschillende lotnummers krijgen, die straks (na bekend worden van de eindexamenuitslagen) bepalend zijn voor wel of niet toelaten. Bij ‘t Hooft is het dan zo dat de overheid op die lotnummers de gegadigden discrimineert. Dat is nogal een beschuldiging. Maar wat hier aan de hand is, is dat ‘t Hooft de lotingsprocedure niet begrijpt. Gegadigden krijgen zo snel mogelijk een lotnummer toegekend (dat is dus de feitelijke loting) die de onzekerheid over de toelating vermindert. Immers, omdat voor de gewogen loting de eindexamencijfers bekend moeten zijn, laat de beslissing over toelating nog lang op zich wachten, want die hangt niet alleen af van de eigen cijfers, maar ook van de cijfers van alle andere gegadigden. De hoogte van het lotnummer geeft enig inzicht over de eigen kansen wanneer die eindexamencijfers er zijn. Dat zou ‘t Hooft juist moeten toejuichen, ik neem tenminste aan dat hij aan méér zekerheid de voorkeur geeft boven minder – sommige kandidaten krijgen zo’n gunstig nummer dat zij al zeker zijn van toelating, andere weten dat zij vrijwel zeker niet worden toegelaten, en kunnen zich tijdig op alternatieven richten.


Het is de normaalste zaak van de wereld dat iemand als vader van een tweemaal uitgelote dochter zo zijn eigen mening vormt over de gewogen loting en de voorstellen van de Commissie-Drenth. Het is toch iets anders wanneer vader die mening publiceert op titel van een leeropdracht als hoogleraar in de theoretische natuurkunde. Vaders oefenen hiermee politieke invloed uit. Gelooft u dat niet? De vader van Meike V., driemaal uitgeloot voor geneeskunde terwijl ze toch briljante eindexamencijfers had, slaagde erin onderwijsminister Ritzen een einde te laten maken aan de gewogen loting zoals die sinds 1975 had gefunctioneerd. Oké, de loting bleef post-Drenth nog wel bestaan, in afgezwakte vorm, om met die andere PvdA-onderwijsminister, Jet Bussemaker, uiteindelijk absoluut verboden te worden. Dat was dan weer het andere uiterste. Onder de decentrale selectie die opleidingen zelf mochten inrichten kregen gegadigden uiteraard ook niet de ‘zekerheid’ die ‘t Hooft zo graag zag. Voorjaar 2020 zag een motie van Paternotte (D66) en Van der Molen (CDA) aangenomen worden: het verbod op loten opheffen (zie hier). En zo geschiedde.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s