Alle geslaagden zijn geschikt; Hofstee vs De Groot over selectie. 1972

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

W. K. B. Hofstee over A. D. de Groot: Selectie

de Groene


Vooraf, bw

  • Selectie voor numerus fixusstudies is een subthema van de veel bredere thematiek van selectie voor en in het hoger onderwijs. Welnu, onder die laatste titel bracht A. D. de Groot in 1972 een uitvoerig rapport uit dat tot nogal wat tumult in het land leidde. Inhoudelijk gaat het dus over zaken die ook direct van belang zijn voor selectie in bijzondere gevallen, zoals selectie voor numerus fixusstudies. Daar komt bij dat we het jaar 1972 schrijven, het rumoer over de beste methode om schaarse studieplaatsen te verdelen zwelt aan, want de rechter heeft een onmiddellijke numerus fixus voor geneeskunde noodzakelijk gemaakt. In de volgende decennia-lange discussie over die selectie wordt maar zelden teruggegrepen op het bredere kader van selectie voor het hoger onderwijs, wat toch wel een ernstige omissie is in de bijdragen van vooral de ondeskundige hoogleraren (dat zijn influencers die onder hun professorale parafernalia zich in de discussie mengen, terwijl hun leeropdracht niet raakt aan de problematiek van selectie voor het hoger onderwijs. Prof. dr. K. Bakker bioloog te Leiden is daar het prototype van).Het artikel van Hofstee geeft goed inzicht in wat De Groot zoal adviseert, en geeft daar lof zowel als kritiek op. Ik vind dat dit een sleutelpublicatie is in de geschiedenis van de numerus fixus, en de tekst moet publiekelijk beschikbaar zijn. Bij deze dus de transcriptie. Of Hofstee er blij mee is, dat weet ik niet, ik zal het hem nog wel eens vragen. Of De Groene er bezwaar tegen heeft, dat ga ik niet vragen, dat hoor ik eventueel wel.Een speciaal onderwerp in het rapport van De Groot is wat hij schrijft over intelligentie, en de mate waarin verschillen in intelligentie erfelijk bepaald zijn. Daar stak in Nederland een storm van verontwaardiging over op. Uiteraard heeft Hofstee daar ook commentaar op. Het is een beetje een zijpad in de discussie over de numerus fixus, maar raakt toch wel direct aan het vraagstuk van wie bij voorkeur toegang verdient wanneer het aantal plaatsen beperkt is. Is het intelligenter zijn dan anderen een verdienste die behoort te worden beloond?Dit artikel kan wel enige annotatie gebruiken, maar dat ga ik toch niet doen. Wel een voorbeeld: er is bij voortduring sprake van herstructurering van het universitair onderwijs, het voorstel van rijkscommissaris Posthumus, Dat was destijds wel een dingetje hoor, hele universiteiten die een paar dagen over zijn eerste voorstel gingen discussiëren. Dat viel bovendien samen met de democratiseringsbeweging (waarin Hofstee zelf in de 60er jaren actief was in Groningen). Al die democratisering is in de 90er jaren zowel uitgeblust geraakt, als door het kabinet teruggedraaid (MUB vervangt WUB). Het raakt niet echt aan de selectieproblematiek, dat wil ik maar zeggen.


De Groot komt met beperkte maatregelen, niet met een creatief beleid

Selektie en hoger onderwijs: een contra-expertise

door W. K. B. Hofstee

[Alleen echt cruciale passages op de website]

Eén van de hoofdargumenten waarmee de Groningse universiteit, op voorstel van Snijders en ondergetekende, het Posthumus-wetsontwerp heeft afgewezen, was juist deze kwestie: dat naar de letter en naar de toelichting uitsluitend wordt voorzien in negatieve selectie, en dat er van regeringszijde met geen woord gerept is over de plaatsing van afgewezenen.

Recht op onderwijs

3. Codificatie van het recht op onderwijs. (….) De Groot’s conceptie is die van een staatsbijdrage in jaren, te verlengen op basis van geleverde studieprestaties, met een ijver-clausule en een ziekte-clausule, en met eventueel compensatieprogramma’s, “second chance”, e.d. Al met al een duidelijke verbetering t.o.v. de huidige situatie.

4. Rationele selectiemethoden. Uit oogpunt van maatschappelijke progressie moge dit een twijfelachtig of ondergeschikt punt lijken, maar dat is het niet. Nog altijd wordt een zee van subjectieve willekeur en paternalisme verstopt in selectieve mondelinge tentamens, interviews, referenties, eindexamencijfers, vragenlijsten, projectietests: vooral de toelating tot het HBO is vaak op zeer ondoorzichtige wijze geregeld, en de buitenlandse folklore op het punt van selectiemethoden is al even bedroevend. De Groot is hier op z’n best: hij veegt met één korzelige klap de hele mikmak van tafel. En inderdaad, als er iets is waar “de geleerden het over eens zijn” – om een uitdrukking uit De Groot’s Minimale methodologie (1) te gebruiken – dan is het wel over de onbetamelijkheid van dit soort fratsen in althans de onderwijsselectie. Een consequentie die De Groot niet trekt, maar dat wil ik dan wel doen, is een aanbeveling om zulke dingen bij de wet te verbieden, net als kwakzalverij.

Beperking inplaats van beleid

(….) In de eerste plaats is er vanuit de universiteiten tot in den treure op gehamerd dat veel mensen daar noodgedwongen gaan studeren omdat het HBO te weinig capaciteit heeft. Van regeringszijde is hierop bij mijn weten nooit een behoorlijk antwoord gegeven. Het is zonneklaar dat hier een gedeeltelijk alternatief voor selectie ligt te wachten. Wellicht zou het HBO zelfs nog aantrekkelijker gemaakt kunnen worden door een verstandige kwalitatieve uitbouw in samenwerking met de universiteiten.

In de tweede plaats, en veel principiëler, is het volkomen denkbaar dat de noodzaak tot institutionele selectie (d.i. beslissingen over de persoon) in het onderwijs radicaal wordt opgeheven. Dat is geen vage utopistische stelling, maar een gedachte die vrij nauwkeurig te beargumenteren valt, als volgt.

In het Rapport zelf wordt als voorwaarde voor een aanvaardbare en uitvoerbare selectie genoemd: voldoende alternatieven, dus op z’n minst voldoende totale capaciteit. De Groot maakt hier zoals gezegd veel werk van, en die passages zijn alleszins de moeite waard.

Als die voorwaarde vervuld is, gaat selectie over in plaatsing, dat is: verdeling van studenten over verschillende opleidingen, verschillend van aard èn – wat natuurlijk het knelpunt is – niveau.

Erfelijke intelligentie

(….) Maar voor wat betreft erfelijkheid vs. milieu, heeft in onze cultuur de progressieve mythe de feiten tegen zich.

Nu zijn wetenschappelijke resultaten nooit definitief – alweer iets waar je meer of minder nadruk op kunt leggen. Dat betreft hier niet zozeer de verzamelde feiten als wel de methode van redeneren. Kun je bijv. statistische conclusies in een individueel geval toepassen (ook een beleidsmaatregel heeft natuurlijk met individuen te maken)? (….)

Voorzover De Groot dus over intelligentie praat, heeft hij in grote lijnen gelijk. De meeste tegenargumenten kan hij ook rustig als sofisterij naast zich neerleggen. Zodra hij echter daarvandaan overstapt naar de noodzaak tot selectie, schort er wel het een en ander aan het betoog.

Ten eerste is ook aan de universiteiten de spreiding in intelligentie vrij groot. Zo varieerde de intelligentie (IQ) van eerstejaars-psychologiestudenten in Groningen in 1968 tussen 107 en 143 met een gemiddelde van 127, en dat terwijl volgens een ander onderzoek deze studenten duidelijk boven het gemiddelde van alle universitaire studenten scoorden. Dus: weliswaar selecteert de universiteit blijkbaar (impliciet) op intelligentie, maar het is momenteel bepaald niet zo dat alle hoge IQ’s naar de universiteit gaan en dat er alleen hoge IQ’s naar de universiteit gaan.

Dit houdt in, dat als er meer mensen op de universiteit komen de gemiddelde intelligentie weliswaar daalt; maar die daling is bij lange na niet zo sterk als wanneer de universiteit totnutoe precies de intelligentsten eruit gepikt zou hebben. Beschouwingen over “reservoir” of “potentieel” aan intelligentie moeten dan ook met een korreltje zout worden genomen. De grootte van dat korreltje zou exact te berekenen zijn, maar het Rapport geeft helaas de voorkeur aan een niet-gestaafde bewering.

Ten tweede is de correlatie tussen intelligentie en studieresultaten niet hoog. De Groot zelf citeert de “bekende empirische wetmatigheid: toekomstige studieprestaties zijn op basis van niets zo goed te voorspellen (…) als die van vroegere studieprestaties”. Dat houdt o.a. in dat intelligentiescores slechter voorspellen dan bijv. eerdere examencijfers. De Groot beveelt terecht ook niet aan om op intelligentie te selecteren. Hij zegt: dat hoeft ook niet, want die intelligentie zit al verwerkt in bijv. propedeusecijfers. Het ware beter te stellen dat die examencijfers méér, of althans gedeeltelijk andere factoren meten dan intelligentie. En ook om die reden is het hele verhaal over intelligentie maar van zijdelings belang voor de selectieproblematiek (voor wie het interesseert: schrijver dezes heeft in twee verschillende onderzoeken twaalf correlaties tussen intelligentie en studieresultaten gevonden variërend van -.10 tot .20, met een mediaan van 06).

Een derde en meer ondergeschikt punt is dat De Groot zit te hannessen met het intelligentiebegrip zelf. Intelligentie is niet zo’n begrip-uit-één-stuk als hij stelt. Maar je kunt natuurlijk ook hier weer de nadruk leggen op het feit dat alle intelligentietests wel een beetje met elkaar correleren, zij het soms maar een heel klein beetje. De gemiddelde score van iemand op een stel intelligentietests (tussen haakjes: in geen enkel mij bekend onderzoek is gewerkt met zoiets als een representatief stel tests) is dan zijn score op de zgn. g(eneral) factor. Daar ging het over in het erfelijkheidsonderzoek. De Groot benoemt nu dat hutjemutje als “abstractievermogen”, een interpretatie die grotendeels voor zijn eigen subjectieve rekening is. Maar op het niveau van het hoger onderwijs gaat het niet om “algemene intelligentie”.” Het gaat om inzicht op bepaalde vakgebieden of groepen daarvan: gespecialiseerde g (nog steeds: general ) factoren.

Voorzover deze concepties betekenis hebben valt die in ieder geval niet samen met de 80 pct-erfelijke g-factor. Het is werkelijk virtuoos hoe specifiek en algemeen hier aan elkaar gepraat worden, maar you can’t have your cake and eat it. (….)

Is selectie mogelijk?

M.n. Hazewinkel (6) heeft betoogd dat selectie voor het hoger onderwijs redelijkerwijs niet mogelijk is. De Groot gaat hier uitgebreid op in. Zijn argument is, dat Hazewinkel van een verkeerd model is uitgegaan: in plaats van een onderwijskundig, zou hij een testkundig, psychometrisch model hebben gehanteerd. Hij en de zijnen zijn daardoor, zoals De Groot triomfantelijk opmerkt, in volle, maar helaas te specifieke, psychometrische wapenrusting in de valkuil voor psychologen gelopen.

Nu meen ik dat De Groot hier voornamelijk ongelijk heeft. De discussie komt op de grens van het vaktechnische te liggen, maar het punt is te belangrijk om onbesproken te blijven.

Op één onderdeel heeft De Groot het gelijk aan zijn zijde. Hazewinkel stelt dat als je maar weinig mensen afwijst, je relatief veel foute beslissingen maakt (dit is niet direct inzichtelijk, maar het klopt wel en hierover bestaat ook geen meningsverschil). Welnu, zegt De Groot, wie heeft er ooit beweerd dat er maar weinigen te licht zullen worden bevonden. Niemand natuurlijk, behalve Hazewinkel in zijn nobele onschuld. Intussen is het goed hiervan nota te nemen. Ten eerste dat De Groot, als hij het heeft over grote groepen ongeschikten, ook inderdaad grote groepen bedoelt. Ten tweede dat alleen in dat geval selectie te verdedigen valt (daarmee is De Groot het niet eens, maar dat is m.i. ten onrechte, zie verder).

Hazewinkel, zegt De Groot verder, heeft het over de voorspellende waarde (validiteit) van selectie-instrumenten zoals eindexamencijfers. Die validiteit is te laag. Volgens De Groot echter …. komt het helemaal niet aan op de mate waarin de resultaten “goede voorspellers” zijn voor de verschillen in latere studieresultaten tussen de studenten” (cursivering De Groot).

De crux zit in het woordje “verschillen”. De Groots redenering is: het doet er niet toe of een student, die is toegelaten, later doctoraal doet met zessen of met negens, zolang het maar voldoendes zijn. Dus de veronderstelling van hoe-meer-hoe-beter, die aan de gebruikelijke validiteitscoëfficiënten ten grondslag ligt, gaat niet op.

Zowel de scores bij selectie als bij het doctoraal moeten dus alleen worden gezien als “voldoende” dan wel “onvoldoende”, en verder niets. Zijn daarmee de “verschillen” de deur uit? Natuurlijk niet, zou je zeggen; blijft over le petit différence tussen geslaagd en gezakt. Er kan nog steeds een validiteitscoëfficiënt worden berekend, zij het een ander soort. De ervaring is dat zo’n coëfficiënt zelfs nog lager uitvalt dan de zojuist genoemde. Punt dus voor Hazewinkel.

Nee, zegt De Groot. Als je goed selecteert zijn er geen individuen meer die ongeschikt waren en toch zijn doorgelaten. Want de selectie geschiedt op basis van studieprestaties en je kunt het volgende alleen maar doen als je het vorige beheerst. Principieel zijn er dus geen ten onrechte toegelatenen. In dat geval is de validiteit perfekt, althans in gedachten.

Is dat zo? Ja, als je met De Groot de verkeerde coëfficiënt gebruikt (de zgn. tetrachorische correlatie). Een vooronderstelling van deze coëfficiënt is nl., dat de scores op een continue schaal liggen, en dat is nu juist de vooronderstelling die De Groot uit alle macht bestrijdt (zie boven). Gewoon een staaltje van “how to lie with statistics”. Inhoudelijk komt zijn redenering erop neer, dat degenen die ten onrechte zijn afgewezen, geen rol spelen in het feest van de perfecte selectie. Als we deze mensen echter wel even in gedachten erbij betrekken – ook De Groot legt er de nadruk op dat het hier gaat om statistiek in gedachten – en vervolgens de juiste coëfficiënt gebruiken is dat feest wèl voorbij.

Hoe zou je volgens De Groot wel empirisch moeten nagaan of je goed geselecteerd hebt? Hij is in dit verband niet scheutig met informatie. Wie het Rapport leest, zal zich moeilijk aan de indruk kunnen onttrekken dat hij flirt met de fictie van de autonome, onfeilbare leraar wiens beslissingen gelden per decreet – een fictie – waarmee ik meende dat hij in ‘Vijven en zessen’ had afgerekend. Ik heb slechts één relevante zinsnee kunnen vinden: als een “goedwillende maar zwakke student er met een overmaat van “bijles” doorheen-,”gesleept” moet worden en dan nog maar zo-zo aan de minimumeisen voldoet, dan schort er iets aan de selectiedrempel”.

Welnu, dan zijn we waar we waren. Er kunnen mensen ten onrechte worden toegelaten, en er kunnen mensen ten onrechte worden afgewezen, ook al komen die laatsten in het verhaal van De Groot helemaal niet voor. Selectie-instrumenten zijn feilbaar. Na aftrek van onjuistheden en hogere machten blijft er een gewone selectiesituatie over, en dat was waar Hazewinkel het over had. (…)

Een wetenschappelijk advies?

(….) Een regeringsadviseur wordt m.i. niet aangetrokken omdat hij zo’n aardige, wijze, progressieve dan wel conservatieve man is, maar als wetenschappelijk deskundige. Dat houdt in dat hij in bepaalde opzichten verantwoording schuldig is aan zijn discipline.

Het is de psycholoog, selectiedeskundige, onderwijskundige, methodoloog die spreekt, niet een willekeurig iemand. Zijn vakgenoten zullen op zijn uitspraken worden aangekeken. Dat is terecht, want men mag verwachten dat hij vanuit een wetenschappelijk (dus intersubjectief) kader spreekt. Zoiets legt beperkingen op.

Een voorbeeld: waar hij zich teweer stelt tegen Hazewinkel, Crombag e.a. die beweren dat selectie niet kan, zegt De Groot: “Zoals zij er staat, houdt de bewering in, dat alle docenten en examinatoren, die in hun onschuld menen dat resultaten van voorafgaand onderwijs, en van examens daarover, iets zeggen (voorspellen) (….) zich alleen maar verschrikkelijk vergissen. Dit kan geen ernst zijn ….”

Nu weet De Groot heel goed wat de feilen en artefakten zijn waaraan ongewapende oordelen mank gaan, en dat zulke onsystematische ervaring niets zegt, en dat vooroordelen volstrekt immuun kunnen zijn voor daarmee strijdige informatie, enz.: daar is een berg vakliteratuur over, en De Groot zelf heeft in Nederland onderzoek verricht met uitkomsten van die strekking. Als hij dan niettemin deze demagogiek ten beste geeft, voel ik mij als psycholoog in mijn kruis getast.

Ik meen dus dat De Groot teveel op de toer van de vrije expressie is gegaan, en dat zijn bravourstuk op belangrijke punten – waaronder sommige waar ik het wel mee eens ben – onvoldoende aansluit hij de wetenschappelijke stand van zaken. Hij heeft naar zijn zeggen alles wat hij weet en gedacht heeft over het probleem bijeengeschreven: m.i. een onjuiste taakopvatting. Het is teveel, en het is niet genoeg.



(1) Groot, A. D. de, Minimale methodologie. Den Haag: Mouton, 1971.

(6) Selektie van studenten. Intermediair, 29 oktober 1971. transcriptie van latere, uitgebreider versie

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s