Alle geslaagden zijn geschikt; mijn fan Jan Tromp: eens. 1974

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Jan Tromp: De studentenstop lost niets op

De Tijd 22 november 1974


Vooraf, bw

  • Ik weet niet wat Jan Tromp nu precies probeert te betogen. Hij is het kennelijk in grote lijnen eens met het standpunt van de CRWO (in de jaargang 1974 van Onderzoek van Onderwijs, onder woorden gebracht door mij en Hans van der Vleugel, en los daarvan ook door de redactie, en Wynand Wijnen). Dat vind ik toch wel verrassend, want ik ben gewend dat de argumenten voor loten in plaats van nog eens examineren, vooral belachelijk worden gemaakt, door hoogleraren voorop ook nog. Afijn, lees het uitvoerige artikel van Tromp. De rode lijn is: breid de capaciteit uit zodat er geen numerus fixus nodig is. Ik denk niet dat dat in de 70er jaren voor geneeskunde een realistische optie was, tenzij in de Belgische variant: iedereen toelaten, maar in het eerste jaar selecteren op het gewenste aantal. Dat zou voor de gek houderij zijn.Een argument dat ik mis bij Jan Tromp: het gaat bij de geneeskundige opleidingen om beroepsopleidingen, opleidingen bovendien voor een arbeidsmarkt waar uitsluitend artsen toegang toe hebben. Het is niet vol te houden dat bij aanzwellende aantallen studenten de toegangssluizen gewoon open zouden kunnen blijven staan. Maar wat zouden dan steekhoudende argumenten zijn, waar bijvoorbeeld het parlement zich in redelijkheid achter zou kunnen scharen? Maar goed, die discussie is voorzover ik weet nooit grondig gevoerd.

    Interessante vermelding van idee van mr. Peter Nicolai dat ingeschreven zijn toegang geeft tot alle onderwijsvoorzieningen – ALLE; de ASVA voerde daar actie op.

    Het klopt dat het een artikel in De Tijd is, op 22-11-1974, maar ik heb het in Delpher nog niet gevonden. Dat komt misschien omdat dit om het weekblad De Tijd gaat, niet het dagblad. Afijn, ik heb een fotokopie van de tekst, die gebruik ik om een transciptie van dit zeer uitvoerige artikel te maken. Zonder daar toestemming voor te vragen, maak ik die publiek beschikbaar. Tenslotte is het onderwerp belangrijk genoeg: een van de belangrijkste onderwijsexperimenten in Nederland is die (gewogen) loting bij numerus fixusstudies. Ik hoor het wel wanneer er bezwaar tegen wordt gemaakt.



Jan Tromp (22 november 1974). De studentenstop lost niets op. weekblad De Tijd.

De studentenstop lost niets op

Het geween en geknars van tanden om de studentenstop is overal te horen. De universiteiten en het hoger beroepsonderwijs hebben alleen al dit jaar 13.000 middelbare scholieren met een diploma op zak de toegang moeten weigeren. Voor deze uitgelote aspirant-studenten ziet de toekomst er allesbehalve rooskleurig uit. Het aantal studierichtingen met een stop wordt bovendien steeds groter want staatssecretaris Klein wil de machtigingswet op de numerus fixus met drie jaar verlengen. Van het streven naar een eerlijke verdeling van de kansen in het onderwijs komt dan ook maar bitter weinig terecht. Voor Jan Tromp reden genoeg de studentenstop ondubbelzinnig af te wijzen.

door Jan Tromp

De Groningse universiteitskrant maakte onlangs melding van een omkoopschandaaltje bij het universitaire bureau inschrijving. Het betrof de laatste pogingen van wanhopige ouders voor hun kindlief, dat bij de loting om een beperkt aantal toelatingen uit de boot was gevallen, alsnog een plaatsje te veroveren. Het bureau inschrijving vond “toevallig” achtergelaten sloffen sigaretten. Ook werd er – volgens de formule: van dik hout zaagt men planken – met geldbedragen gewapperd.

Nu is zo’n gedrag naïef te noemen, of, zo men wil, gluiperig. Van beide zal wel iets waar zijn. Maar wat het omkoopgeval bovenal illustreert, is dat zich van de ouders (en hun studerende kinderen) een gevoel van radeloze onmacht moet hebben meester gemaakt. Die emoties zijn terecht. Want voor het feit van de numerus fixus passen slechts woede en tandgeknars.

De numerus fixus is een enormiteit die de klappen laat vallen in de hoek waar de onnozele zielen zich ophopen. En wat het drama nog pijnlijker maakt: de numerus fixus lost niets op aan het probleem van de verzadigde, verstopte universiteiten en instellingen van hoger beroepsonderwijs. Jawel, misschien biedt het op korte termijn enige opluchting voor de vermoeide darmspieren, maar op den duur is de buikloop van het tertiaire onderwijs in Nederland, als men althans op de huidige voet voortgaat, niet te keren. De numerus fixus is gebaseerd op de machtigingswet inschrijving studenten van 6 juli 1972. Het wetsontwerp werd destijds gepresenteerd als een tijdelijke maatregel, noodzakelijk geworden om de overbelaste capaciteit van het tertiaire onderwijs enigszins te verlichten. Zoals dat wel vaker gaat met “tijdelijke” maatregelen blijken zij, wanneer de afloop in zicht komt, plotseling een min of meer permanent karakter te krijgen. Zo ook met de numerus fixus. Nog dit jaar moet de machtigingswet die de studentenstop regelt, voor niet minder dan drie jaar worden verlengd.

Als het resultaat van de numerus fixus niet zo droevig was, hadden we kunnen spreken van een best geestig steekspel tussen de Nederlandse universiteiten en “Den Haag”.

Want ironisch genoeg is de studentenstop de universiteiten tegen wil en dank opgedrongen. Toen zij zagen hoe zich een ware stormloop ontwikkelde van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) uit, achtten de universitaire bestuurders het een prima pressiemiddel Den Haag te dreigen met een numerus fixus-regeling. Niet zozeer omdat de universiteiten die studentenstop werkelijk wilden, maar veeleer omdat zij meer formatieplaatsen – zeg maar “onderwijskrachten” wilden afdwingen.

Het resultaat pakte averechts uit. Het ministerie van onderwijs en wetenschappen speelde de verantwoordelijkheid behendig terug naar de universiteiten, stelde tegelijkertijd de numerus fixus in werking en kneep het aantal formatieplaatsen eerder af dan dat het werd uitgebreid. Zo heeft het ministerie de Amsterdamse universiteit voor volgend jaar al een vermindering van 45 formatieplaatsen in het vooruitzicht gesteld. Kortom, de universiteiten raakten van de regen in de drup, het ministerie wast de handen in onschuld en intussen zijn de minst-verantwoordelijken, de middelbare scholieren, het slachtoffer van dit fraaie staaltje politiek bedrijven. De cijfers bewijzen het.

Werd er voor het studiejaar ’73/’74 nog “slechts” voor zes studierichtingen een numerus fixus ingesteld, voor het huidige studiejaar gelden al studentenstops voor tien richtingen. Het gaat hier om medicijnen, tandheelkunde, diergeneeskunde, farmacie, biologie, lichamelijke opvoeding, Nederlands, sociale geografie, geschiedenis en Engels. In totaal meldden zich voor deze studierichtingen 10.000 gegadigden. Ongeveer 4500 mochten buiten blijven staan. Gevoegd bij het nog grotere aantal van 8500 afgewezen adspirant-studenten in het hoger beroeps onderwijs (hbo) komt men op een droevig totaal van ongeveer 13.000 middelbare scholieren dat met een bevoegd diploma op zak de toegang is geweigerd.

Toekomstbeeld wordt niet florissanter

Om twee redenen wordt het toekomstbeeld er niet florissanter op. In de eerste plaats heeft 85 procent van de ongelukkigen van dit jaar al laten weten volgend jaar, bij de nieuwe ronde van staatssecretaris Klein, een tweede gok te willen wagen. Dit impliceert een nog grotere toeloop op een dan waarschijnlijk nog groter aantal studierichtingen met een studentenstop.

Dit is het negatieve effect van de numerus fixus voor de nabije toekomst. Op wat langere termijn valt een nog droefgeestiger effect te verwachten van de huidige politiek die zegt dat ook in het onderwijs de kansen eerlijker moeten worden verdeeld. Vandaar dat minister Jos van Kemenade en staatssecretaris Ger Klein prioriteit leggen bij het kleuter- en basisonderwijs. Maar als dit nieuwe beleid succes heeft, dat wil zeggen leidt tot een grotere doorstroming naar het vwo, zijn we in feite bezig voor de toekomst een nieuwe en nog grotere groep van gedesillusioneerde middelbare scholieren te kweken.

De contactgroep research wetenschappelijk onderwijs, het samenwerkingsverband van de onderwijs-onderzoekbureaus in Nederland, heeft het septembernummer van zijn tijdschrift Onderzoek van Onderwijs geheel gewijd aan de problemen van de numerus fixus. Het is na het voorgaande niet meer verwonderlijk dat de redactie de studentenstops – nog zeer voorzichtig – karakteriseert als “een noodzakelijk kwaad of een eerste hulp bij ongelukken, maar dan wel op straffe van het onverwijld nemen van zodanige onderwijskundige en sociaal verantwoorde maatregelen, dat die domme guillotine van de numerus fixus zo snel mogelijk in het rariteitenkabinet kan worden bijgezet.” Goed gesproken, maar de plannen – verlenging van de machtigingswet met ten minste drie jaar – wijzen helaas in een heel andere richting.

“Onderwijskundige en sociaal verantwoorde maatregelen” zijn in de verste verten niet in zicht. Integendeel. De numerus fixus is een ongelukkige en willekeurige regeling. Dat blijkt behalve uit een heleboel andere dingen ook en vooral uit de wijze waarop de studentenstops concreter worden toegepast. Er wordt verschrikkelijk gebakkeleid over de vraag of nu iedereen met een bevoegd diploma mag meeloten voor het beperkte aantal plaatsen (wat staatssecretaris Klein wil) of dat zij met een 7½ gemiddeld op het einddiploma zonder meer moeten worden toegelaten. Voor het overblijvende deel van de plaatsen moet dan worden geloot tussen de scholieren die dat gemiddelde van zeveneneenhalf niet hebben gehaald. Deze laatste procedure werd gehanteerd tot en met dit studiejaar.

Daarnaast zijn er nog tal van verlichte geesten die een andere, maar al evenzeer gekunstelde en vermoeiende regeling voorstaan. Zo heeft de werkgroep selectie onder voorzitterschap van de beruchte herstructureerder prof. dr. S. Wiegersma gepleit voor onmiddellijke toelating bij een gemiddeld eindexamencijfer van 7. Andere voorstellen zeggen dat iedereen moet meeloten, met voor de besten uit de klas wat meer kans, of dat de selectie maar moet worden overgelaten aan het oordeel van de universitaire instelling waar de adspirant-student zich aanmeldt. Zelfs is al het onbarmhartige plan gelanceerd voor de universiteit een toelatingsexamen in te stellen, en dat ogenblikkelijk na het toch zo aangrijpende eindexamen voor de middelbare school.

Duim in de dijk is een legende

Hoe er geknoeid wordt blijkt ten slotte ook uit het merkwaardige feit dat achteraf voor drie studierichtingen (Nederlands, biologie en sociale geografie) de numerus fixus overbodig is geweest. Er zijn nog plaatsen over.

Wat al die selectieprocedures, behalve hun arbitraire karakter, gemeen hebben, is dat ze de kern van de numerus fixus niet raken. Al het technocratische gehakketak over de methoden van selectie ontmaskert de onrechtvaardige numerus fixus niet, maar integendeel, sanctioneert deze juist. Natuurlijk heeft de redactie van Onderzoek van Onderwijs gelijk als ze zich afzet tegen de Leidse professor Bakker die in het NRC-Handelsblad heeft gepleit voor de 7½-regeling.

De redactie schrijft: “De legende doet nog altijd opgeld dat Hollanders met een duim in het gat een dijkdoorbraak kunnen voorkomen. Het is echter wel een legende. Jammer voor prof. Bakker c.s. als hij meent met zijn 7½-duim de vloed te kunnen keren en achter zijn academische dijk veilig te zijn.” Inderdaad, maar dezelfde redenering geldt voor het alternatief, algemene loting, dat de redactie van Onderzoek van Onderwijs voorstaat. Een algemene loting onder alle gegadigden is minder dom en onrechtvaardig dan de 7½-regeling. Maar het blijft dom en onrechtvaardig.

Al het gepraat over de meest gewenste selectieprocedure is gevaarlijk. Het impliceert namelijk een aanvaarden van de huidige malaise als iets onontkoombaars. Het sanctioneert de “tijdelijke” numerus fixus als een fait accompli, voor nu en voor de toekomst.

B. Wilbrink, medewerker aan het centrum van onderzoek van het wetenschappelijk onderwijs van de Universiteit van Amsterdam onderstreepte dit gevaar in een gedegen artikel in het NRC/Handelsblad van 27 september. Wilbrink: “Iedere voorgestelde selectieprocedure moet tegen de politieke achtergrond van het feit van een numerus fixus geanalyseerd en bekritiseerd worden. Zo is meewerken aan vormen van selectie die het feit van de numerus fixus versluieren, niet op fatsoenlijke wijze mogelijk.” En verder: “Iedere selectie voor een numerus fixus is hard, keihard, en iedere poging om dat te verhullen, is een poging om de numerus fixus zelf te verhullen.”

Dat er heel wat wordt versluierd en verhuld, is wel duidelijk. De discussies beperken zich in angstige mate tot de procedures waarop de numerus fixus zo pijnloos mogelijk kan worden ingepast in de Alma Mater. De fundamentele vraag naar het wezen van de numerus fixus, naar de principiële onrechtvaardigheid van de regeling, komt nauwelijks aan de orde.

Wie zich die vraag wel stelt, moet de numerus fixus als oplossing voor het capaciteitsprobleem in het tertiaire onderwijs wel afwijzen. De numerus fixus immers ontkent domweg het ongeschreven grondrecht van ontplooiing van aanwezige talenten. Met het behalen van het einddiploma vwo of havo heeft elke scholier bewezen geschikt te zijn voor de logisch volgende stap: wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs. De numerus fixus houdt daarom een selectie in onder principieel geschikten, onder jonge mensen die het fundamentele recht hebben op vervolgonderwijs en die het ook niet kunnen helpen dat overheid en universiteiten hun eigen problemen niet weten op te lossen en deze daarom gemakshalve maar afwentelen op machteloze slachtoffers.

Een nieuwe ronde, een nieuwe kans

In plaats van die onzalige numerus fixus is het daarom hoog tijd voor een oplossing die adspirant-studenten reëlere alternatieven biedt dan de bijstandswet of een wachtlijst van mensen die volgens de gedachte: een nieuwe ronde, een nieuwe kans elk jaar groeit. Het is binnen dit bestek en van de huidige situatie uit ondoenlijk in één pennestreek uiteen te zetten hoe de reële alternatieven er op de langere duur zouden moeten uitzien. Wat men wel onmiddellijk kan vaststellen, is dat binnen de huidige gang van zaken in het tertiaire onderwijs afschaffing van de numerus fixus voor een belangrijk deel, zo niet in zijn geheel moet kunnen worden opgevangen.

Het moet mogelijk zijn dat zowel het ministerie als de universiteiten van hun verantwoordelijkheid uit voor alle aankomende studenten het beleid rationaliseren. Voor het ministerie betekent dit concreet dat in plaats van beknotting van het aantal formatieplaatsen dit juist wordt uitgebreid. Natuurlijk vergt dat meer geld. Nou, dat moet dan maar. Het heeft nu eenmaal weinig zin ook budgettair prioriteit te verlenen aan het kleuter- en basisonderwijs – hoe terecht dit op zich zelf ook mag zijn – en onderwijl het tertiaire onderwijs op schrijnende wijze te laten verzuipen. Het ene gat te dempen met het andere lost in feite niets op. Daarnaast moeten ook de universiteiten en hbo-instellingen zich richten op het verwerken van een grotere toevloed van studenten. Dat zal in de praktijk wel leiden tot meer hoorcolleges en minder kleine, gezellige werkgroepen. Al weer geldt: dat moet dan maar. Evenzeer moet het maar dat eens iets wordt veranderd aan de twijfelachtige verdeelsleutel die de vorige minister, De Brauw, heeft vastgesteld voor de onderzoek- en onderwijsactiviteiten van universitaire medewerkers. De Brauw heeft deze verdeling vastgelegd op duizend uur onderzoek en duizend uur onderwijs per jaar per medewerker. Met de natte vinger, zo lijkt het. Het is, gezien de huidige malaise, niet overdreven te verlangen dat de weegschaal wat meer doorslaat ten gunste van de factor onderwijs.

Het crisisspook van werkloosheid

Voordat echter deze en soortgelijke maatregelen tot opheffing van de numerus fixus zouden kunnen leiden, moet men eerst afrekenen met de argumenten van hen – Klein en Van Kemenade voorop – die selectie legitimeren door te schermen met het begrip maatschappelijke behoefte.

Het begrip is bepaald een vondst. Tot voor kort gold als officiële rechtvaardiging voor het bestaanvan de numerus fixus de beweerde overbelasting van het tertiaire onderwijs in het algemeen en bepaalde studierichtingen in het bijzonder. Sinds de vroege zomer van dit jaar heeft dit argument plaatsgemaakt voor een ander. Bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Nijmeegse universiteit hield minister Van Kemenade 15 mei een rede waarin hij plotseling op de proppen kwam met het begrip “maatschappelijke behoefte”. Daarmee wordt bedoeld dat de belangstelling voor een bepaalde studierichting in de toekomst zou moeten worden afgewogen tegen de behoefte aan afgestudeerden uit de betrokken studierichting. En om de schrik er goed in te jagen, werd en wordt daarbij te pas en te onpas verwezen naar het crisis-spook van grote werkloosheid onder academici. Het is intussen interessant je af te vragen welke maatstaven dan wel bepalend zijn voor die behoefte.

De conclusie is dan dat de term “maatschappelijke behoefte” zeker voor een zich progressief noemend kabinet uit den boze zou moeten zijn. Het verraadt namelijk dat – los van het fundamentele recht op vorming en ontplooiing van talenten – de vraag van het industriële bedrijfsleven en andere commerciële organisaties tot richtlijn van het tertiaire onderwijsbeleid is gekozen. Dat er ook nog een andere “maatschappelijke behoefte” te onderkennen valt – en wel die van duizenden middelbare scholieren – wordt in de definiëring en uitleg van het begrip voor het gemak vergeten.

Drs. J. Passenier, medewerker van het Centraal Planbureau, verklaarde onlangs in een interview met het Amsterdamse universiteitsblad Folia Civitates [sic]: “Wat we tot nu toe opgeleid hebben (bedoeld worden de academici die de universiteiten hebben afgeleverd – red.) heeft voor een deel de economische ontwikkeling gediend, voor een deel de maatschappelijke ontwikkeling en voor een deel is het simpelweg een verbruiksgoed geweest.”

Welnu, het is heel goed mogelijk dat een desnoods revolutionaire groei van het aantal academici maatschappelijk en economisch op den duur hard van pas zal komen. Prof. E. Edwards, rector-magnificus van de Engelse universiteit van Bradford, zei in september op een Europese rectorenconferentie in Bologna: “Toen een eeuw geleden in Engeland de lager-onderwijswet behandeld werd, kwam men ook ongerust met de vraag waar al die mensen die nu lezen en schrijven zouden leren, emplooi moesten vinden.” Vertaald naar de tegenwoordige tijd en naar het tertiaire onderwijs zou een concreet antwoord op deze vraag bij voorbeeld te vinden zijn in een grondige, wetenschappelijke aanpak van het milieuprobleem, waarvoor waarschijnlijk duizenden academici hun “maatschappelijk en economisch” nut zouden kunnen bewijzen.

Daarnaast blijft ongetwijfeld een aantal academici over voor wie de studie een verbruiksgoed is geweest. Drs. Passenier: “Mensen die er erg veel plezier aan hebben gehad, doorgaans, maar eigenlijk is dat maar voor een klein gedeelte gemobiliseerd in het produktieproces.” Deze groep omvat typisch de mensen die van een persoonlijke behoefte aan een volwassen ontplooiing uit een hoge opleiding nastreven zonder daaraan kennelijk de eis van hoog gekwalificeerde en duur betaalde functies te verbinden. Mensen dus die de status van de academicus, zowel materieel als psychologisch, terugbrengen tot de juiste proporties. Zou het een progressief kabinet dat zegt te streven naar nivellering van macht en inkomen niet sieren juist de groei van deze groep van academici te stimuleren?

Intussen lossen al deze mooie frasen natuurlijk niets op aan het probleem van de numerus fixus waarvoor de middelbare scholieren zich zien geplaatst. Het is een misverstand te menen dat deze acute nood zioh pas voordoet na afloop van het eindexamen. De verwoestende numerus fixus strekt zijn grijparmen uit tot in de klaslokalen van het voortgezet onderwijs. De onderwijsonderzoekers Wilbrink en Van der Vleuten zeggen in het tijdschrift Onderzoek van Onderwijs het volgende over de gevolgen van de numerus fixus voor het middelbaar onderwijs: “Er zal een versterkte prestatiedrang ontstaan, die op een aantal vakken en vormingsgebieden is gericht. De aandacht en de belangstelling van de leerlingen voor die onderdelen, die niet in het eindexamen zijn opgenomen, dreigen hieronder ernstig te lijden en het risico is niet gering dat een verschraling van de vorming op het voortgezet onderwijs hiervan op den duur het gevolg is.”

De waarde van het eindexamen is reeds zeer twijfelachtig. Er wordt geblokt voor een lot uit de loterij. De motivatie van de leerlingen, zo constateren steeds meer onderwijskrachten, is al aan het kelderen. En waarom zou de leerling er ook hard aan trekken als de kans dat hij voor een vervolgstudie wordt afgewezen bijzonder groot is ? Het moet voor hem geen stimulerende gedachte zijn dat hij over een paar jaar een van de 30.000 geslaagde scholieren uit het voortgezet onderwijs is die moeten knokken om een plaats in het tertiaire onderwijs.

Blokken voor een lot uit de loterij

W. Wijnen in Onderzoek van Onderwijs over de middelbare scholieren: “Zij zijn de laatste jaren nooit tijdig geïnformeerd over de toelatingsregels, zij hebben vakkenpakketten moeten kiezen terwijl de universiteiten nog volop discussieerden over hieraan te stellen eisen, zij werden in de waan gelaten dat slagen voor het eindexamen een voldoende voorwaarde was voor toelating, terwijl daar naderhand aan werd gesleuteld.”

Het is duidelijk dat in plaats van te redekavelen over halve oplossingen de regering en het parlement er beter aan doen de aandacht onmiddellijk te richten op afbraak van de numerus fixus. Want dat deze “domme guillotine” moet verdwijnen, staat als een paal boven water. Als het niet goedschiks kan, zo redeneert een aantal tegenstanders van de studentenstops, dan maar kwaadschiks. Dat elders in Europa de numerus fixus in enigerlei vorm al in het onderwijsbestel is verankerd, is geen argument. Onze moeder zei reeds: als zij in de sloot springen, jongen, dan hoef jij het toch nog niet óók te doen?

Het is jammer dat de middelbare scholieren niet hecht georganiseerd zijn en van een eigen overlegorgaan uit opheffing van de studentenstops kunnen afdwingen. Toch mogen zij hun hoop enigszins richten op de gelukkigen die hen zijn voorgegaan: de studenten van dit ogenblik. De studentenvakbonden voeren op landelijke schaal zogeheten “inlaatacties” die erop gericht zijn uitgelote adspirant-studenten alsnog toe te laten tot de studierichting van hun keuze.

Zo heeft de algemene studentenvergadering van het historisch seminarium van de Amsterdamse universiteit van de staf verlangd, dat veertien uitgelote studenten tot werkgroepen worden toegelaten en tentamens mogen afleggen.

Mr. Peter Nicolai, juridisch medewerker van de ASVA die bij de doorbreking van de duizend-gulden-wet van De Brauw zijn sporen ruimschoots heeft verdiend, meent dat het ministerie juridisch de toelating niet kan verijdelen. De truc die wordt toegepast, is dat uitgelote studenten zich inschrijven voor een studierichting waarvoor geen stop geldt. Men heeft dan volgens Nicolai recht op álle onderwijsvoorzieningen. Dus ook op die in de studierichting waarvoor men aanvankelijk had gekozen, maar waarvoor men is uitgeloot: de numerus fixus teruggebracht tot een loze regeling.

Als straks het parlement de machtigingswet op de studentenstops inderdaad voor drie jaar verlengt – zoals Klein wil – zou de oude slogan die ook al in de tijd van de Maagdenhuisbezetting weer eens dienst deed best nieuw leven mogen worden ingeblazen: Heel dit raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s