Alle geslaagden zijn geschikt; Hofstee wedt op SES, 1974

Afbeelding: Anneke Huisman & Johan Koppenol (1991). Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726. Uitgeverij Verloren

de Lotery

Hofstee interview (1974)

Haagse Post


Vooraf, bw

Dit is een interview, lees het met de flow mee. En lees het dan nog een keer, om na te gaan wat Hofstee precies heeft gezegd en geclaimed. Achterveel van zijn stellige uitspraken zit de wereld van persoonlijke verschillen – differentiële psychologie. Want over persoonlijke verschillen gaat het voortdurend wanneer selektie het onderwerp van gesprek is: wie wel, wie niet, en wat is het verschil dan, en maakt dat ook werkelijk verschil? Het is bovendien de wereld van sociale wetenschappen, van onzekerheden dus, en van met ontwikkelingen in de samenleving ook verschuivende waarden. In tegenstelling tot de zekerheden van de natuurwetenschappen (die ene kat daargelaten), en al helemaal de stelligheid van de logica en de wiskunde. De basis waar de sociale wetenschapper op staat is de empirische evidentie. Of de weddenschap daarop, Hofstee roept die in dit interview ook een keer in. In zijn verdere academische loopbaan zou die weddenschaps-idee telkens terugkeren. Zie het zo: met dit interview zette Hofstee zijn reputatie op het spel, in de zin dat de voorspellingen die hij doet natuurlijk wel uit moeten komen als iemand de proef op de som gaat nemen. Bijvoorbeeld over de sociaal-economische achtergrond en eindexamenresultaten.

Een aantal van de aangesneden onderwepen komen ook terug in de bijdrage van Hofstee aan de bundel van De Mulder en Visscher over selektie van studenten, zie deze blog

  • Hofstee doet hier niet aan doorverwijzen naar de literatuur; dat is geen probleem, ik verzamel voor loten en numerus fixus relevante literatuur in dit bestand
  • Publicaties in de vroege discussie over toelating bij numerus fixusstudies zijn vooral moeilijk te vinden, want dit is nog het papieren tijdperk. Ik ben zo vrij om de belangrijkste publicaties als transcripties online beschikbaar te maken, zonder daar toestemming voor te vragen. Auteurs die bezwaar hebben: laat het mij weten, dan haal ik de tekst uit het publieke domein.

Tom de Greef & Martin Schouten (1974). Psycholoog prof. Willem Hofstee over de selectie voor de universiteit: ‘Loting houdt ‘t schandaal in leven.’ Haagse Post

Wat is de kwestie? Tot voor kort had iedereen met een einddiploma van het Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs (hbs, Gymnasium, Atheneum en what have you) het recht om toegelaten te worden tot de universiteit. Helaas waren er faculteiten die de toeloop niet meer aankonden de laatste tijd. Voor die faculteiten werd een numerus fixus ingesteld: na x nieuwe aanmeldingen gaat de slagboom onverbiddelijk neer. Daardoor valt een aantal mensen die wel recht hebben op toelating buiten de prijzen.

De vraag is nu: hoe wijs je de gelukkigen aan? De vroegere minister De Brauw vond, dat mensen met een gemiddeld eindexamencijfer van 7½ of meer een streepje voor hadden. Die konden zonder meer binnen komen, de anderen moesten maar loten om de resterende studieplaatsen. Zo is het ook dit jaar gebeurd.

De sociaaldemocratische staatssecretaris Klein, die daar nu over gaat, denkt er anders over. Hij vindt loting onder alle rechthebbenden het eerlijkst. Op 15 maart heeft hij daar op een verkiezingsbijeenkomst te Rhoon het nodige over gezegd: de 7½ grens zou weer worden teruggebracht tot de traditionele 6 grens. Het academisch kabaal is sindsdien niet van de lucht.

Als voorzitter Mao uit pingpongen gaat, stelt hij zijn ploeg ook niet samen door loting. Dan zorgt hij heus wel dat hij de N beste spelers uit het Hemelse Rijk achter het netje krijgt.

Dit soort parmantige redeneringen (van mensen die nog nooit iets hebben gedaan om het socialisme hier een stap dichterbij te halen) zijn niet van de lucht. Irrationele reacties van mensen die zich blijkbaar bedreigd voelen of zo, god mag het weten. Wat drijft die lui?

Ter verrijking van ons inzicht terzake hebben we de Groningse psycholoog prof. Willem Hofstee, voorstander van loting, te spreken gevraagd. Tijdens de treinreis noordwaarts nemen we onze map met knipsels uit NRC/Handelsblad nog eens door. Medereizigers die uit een ooghoek de koppen meelezen, zitten prompt niet meer om gespreksstof verlegen. Het leeft onder de mensen, kunnen wij prof. Hofstee melden.

Hofstee: “Reizen jullie eerste klas?”

HP: Die luxe permitteren wij ons nog.

“Die luxe permitteer ik mij ook. Vandaar.”

En wat je dan hoort: die geniale jongen met al die tienen loopt de kans dat hij uitgeloot wordt.

“Het is natuurlijk de vraag of die jongen überhaupt wat voor opleiding ook nodig heeft.”

Die moet toch geavanceerde programma’s volgen om een nog briljanter type te worden?

“Jazeker. Als je tenminste redeneert vanuit rendementsstandpunt. In het algemeen zijn vorige studieprestaties de beste voorspellers van toekomstige studieprestaties. Het stelt niet veel voor, maar onder alle rottige voorspellers zijn het nog de beste.”

“Maar waarom zou je er ook nog geen intelligentietest tegenaan gooien? Die meet weer dingen die studieprestaties niet meten. Nou, ga dan maar verder. Dan moet je de BVD er ook op loslaten.”

Eh?

“Of iemand niet dusdanig politiek onevenwichtig is dat de investeringen van vadertje staat wel eens tegen vadertje staat zouden kunnen worden gebruikt.”

De tegenstanders van loting zijn dus inconsequent?

“Dat zeg ik niet. Maar het meest gebruikte argument tegen loting en voor selectie op cijfers is dat je een rendementsverhoging krijgt. Nou, oké, dan ook maar intelligentietests en allerlei rare persoonlijkheidstests en wat je nog meer kunt bedenken. De kans is groot dat je dan aanvullingen vindt op het voorspellend vermogen van het eindexamen. Ik bedoel alleen maar te zeggen dat als je consequent vanuit dat ene argument zou redeneren, dan zou je er alles wat er maar aan voorspellers is bij moeten sleuren.”

Goed. In afwachting van de volmaaktheid krijgt de jongen die hard heeft geploeterd en die hoge cijfers heeft gehaald het lid op de neus: persoonlijk leed, door een domme loting veroorzaakt.

“Het lijkt mij een boude veronderstelling dat iemand die een 10 voor wiskunde haalt, uit dien hoofde gevoeliger is voor persoonlijk leed hem aangedaan dan iemand die een 6 haalt.”

Maar het is toch een voor de hand liggende gedachte dat de beste iets kan en in de gelegenheid gesteld wordt zich te ontplooien?

“Als je redeneert vanuit de wenselijkheid van persoonlijke ontplooiingsmogelijkheden, moet je zeggen dat dat net zo goed geldt voor iemand die een zes heeft gehaald als voor iemand met een tien. Dat verschil zie ik niet.”

Maar die 10 moet beloond worden.

“Die 10 is niet louter het gevolg van ijver. Als een 6 alleen maar een gevolg zou zijn van louter gebrek aan ijver zou ik er ook wel iets voor kunnen zeggen, vanuit ons geaccepteerde normenstelsel, om mensen met hogere cijfers meer kansen te geven. Maar ik denk dat het verschil tussen een 6 en een 10 niet in de eerste plaats samenhangt met de inspanning die men zich getroost.”

Het verschil tussen zakken en slagen wordt ook uitgemaakt door een cijfer.

“Die drempel lag aanvankelijk bij de 6. Dat is het kardinale punt. Dat is een maatschappelijke conventie waaraan je niet maar zo eventjes kunt gaan tornen. Dat is nogal een beslissing. Je kunt natuurlijk zeggen: ik maak een middelbare school die opleidt tot een 7½ en een andere middelbare school die opleidt tot een 6. Dat je ergens een grens moet hebben is zeker.”

Het is toch vreemd dat in een maatschappij die doortrokken is van de gedachte dat de beste in staat moet worden gesteld iets aan te pakken, deze gedachte in het onderwijs doorbroken wordt door over te gaan op loting?

“Dat is niet waar. Onze maatschappij is goddank niet geschoeid op één principe. We hebben bij voorbeeld ook een ziekteverzekering en een werkeloosheidsuitkering en ga maar door. Zaken die vanuit het economisch rendementsprincipe uit den boze zijn.”

Bij loting loop je de kans de nieuwe Einstein mis te lopen.

“Die was op de middelbare school helemaal niet zo goed.”

Uitzonderingen zijn er altijd. We hebben zojuist geleerd dat vroegere prestaties een indicatie zijn voor de toekomst.

“Oké. Doordat je zou loten in plaats van op basis van een 7½ te werken loop je een iets grotere kans, een heel klein beetje grotere kans, een verschrikkelijk klein beetje grotere kans, dat je een Einstein mist. Zonder twijfel.”

En wat mag daar dan wel het voordeel van zijn?

“Niks. Zolang je praat in termen van voordeel. Pas als je gaat praten in termen van recht…”

Maar het is toch onrechtvaardig dat iemand met veel talenten die niet kan ontplooien?

“Het is altijd onrechtvaardig als iemand talenten heeft die hij niet kan ontplooien.”

Veel of weinig talent maakt daarbij niets uit?

“Het antwoord daarop is inderdaad nee.”

Maar dat verschil niet zien is toch inefficiënt?

“Daar zijn we het over eens. Het is een heel klein beetje inefficiënt, al is dat niet exact aan te geven bij gebrek aan voldoende gegevens. Maar uit wat we wel weten kun je opmaken dat het een heel klein beetje inefficiënt is.”

En wat is de rechtvaardigheid die daar tegen opweegt?

“Heel simpel. Als je loot wordt de onrechtvaardigheid in principe exact verdeeld over de belanghebbenden, want iedereen heeft eenzelfde kans tot de universiteit toegelaten te worden. De discussie, en dat is het hele punt, gaat ook niet over 7½ of loten, die gaat uiteindelijk over het schandaal van de numerus fixus.”

Bij uitloten komt een arbeidersjongen in het nadeel. Hij kan niet in het buitenland gaan studeren, de zoon van de directeur van zijn vader wel.

“Als je zo redeneert, kom je precies op het omgekeerde uit. Want de kans is groter dat de zoon van een arbeider lager heeft dan 7½. Ik denk dat je er rustig van kunt uitgaan dat er een verband is tussen de sociale status en de onderwijsresultaten. Ik ben er voor 99 pct. zeker van dat er onder de mensen met minder dan een 7½ relatief meer uit de lagere socio-economische klasse komen. Als je die 7½ handhaaft, bevoordeel je daarmee de hogere milieus boven de lagere.”

Waarom wordt dat argument niet rondgebazuind? We horen het u voor het eerst.

“Ja, ik ook. Ja, verdomd. Jazeker. Het is een vrij subtiele redenering en misschien ontbreekt de motivatie om zoiets op het spoor te komen.”

De Telegraaf heeft dus gelijk: loten is links.

“Ja! Het zou wel leuk zijn om het op die manier inderdaad eens een politiek aspect te geven.”

Die storm van protest tegen loting, hoe valt die te verklaren?

“Het is natuurlijk volstrekt krankzinnig om door middel van een dobbelsteen over iemands toekomst te beslissen. Dat is geen instrument, het is een niet-instrument. Zo spreekt het mij ook aan: als je genoeg plaatsen had was het krankzinnig om te loten.”

“Als je, dat eenmaal gegeven, uitgaat van efficiëntie-overwegingen is het een heel klein beetje onverstandig om te loten. En als je nu maar in staat bent om deze twee argumenten, die geen fluit met elkaar te maken hebben, door elkaar te klutsen krijg je inderdaad een fraai standpunt.”

Hoezo fraai standpunt?

“Dan ben je, denk ik, in staat jezelf te overtuigen dat er beslist niet geloot mag worden.”

Maar wat maakt die mensen nou zo woest?

“Omdat het een stukje van de grondslagen waarop ze leven bedreigt: het rendements- of produktiviteits- of efficiency-streven. Ook alleen diegenen worden erg emotioneel boos voor wie dat een volstrekte zekerheid is.”

Op welk streven moeten we ons dan oriënteren?

“Je kunt van heel andere dingen uitgaan, wanneer je het hebt over de waarde van het tertiair onderwijs, zoiets als opleiding tot het als verstandig staatsburger kunnen functioneren in een ingewikkelde maatschappij of iets dergelijks.”

En daar gaat loting een bijdrage aan leveren?

“Loting levert nergens een bijdrage aan. Je hebt te maken met een beperkte capaciteit. Waar ga je die voor ‘besteden? Op het ogenblik wordt de prioriteit gesteld in de richting van wat maatschappelijk rendement heet.”

De maatschappij moet toch ook in de rails blijven?

“Niet door een handjevol experts op te leiden. Ik geloof dat de maatschappij mensen op moet leiden die zich intellectueel kunnen handhaven. Als je daar de nadruk op legt, op een algemene opleiding tot staatsburgerschap, of iets meer specifiek misschien de socialisatie van wetenschappelijke kennis, dan zit je helemaal niet meer te denken in termen van hoe pikken we de besten eruit. Eerder omgekeerd waarschijnlijk.”

Als ons been breekt zal het ons een zorg zijn of de dokter een goed staatsbuirger is, zolang hij dat been maar weer vakkundig lapt.

“Ga maar eens met een kritische arts praten.”

Ja, we gaan daar even leuk discussiëren met ons gebroken been.

“Nou ja, dan heb je er weinig mee te maken. Maar voor het overige moet je wel je ogen open houden en wat dat betreft maakt het wel degelijk verschil wat voor soort staatsburger die arts van jullie is.”

En dat komt allemaal beter terecht door loting dan door selectie op cijfers?

“Nee. Maar er is ook geen reden aanwezig om onze artsen te recruteren uit een andere groep dan we tot nu toe gedaan hebben, tot voor de numerus fixus. Iemand met een zes voor zijn eindexamen kon arts worden en daarvan lopen er ontzettend veel rond in Nederland.”

Je ziet wat voor ellende dat geeft.

“Voor zover dat ellende geeft zijn er met de artsenstand in Nederland heel andere dingen aan de hand. De overname van verantwoordelijkheid, het uitoefenen van autoriteit – dat soort dingen. Maar dat heeft precies weer op dat andere punt betrekking.”

De numerus fixus op de universiteiten is in laatste instantie een kwestie van: hoe verdeel je het onderwijsbudget? Misschien is het wel goed dat de universiteit wat veren laat ten gunste van het kleuter- en basisonderwijs. Dat past ook in de gedachtengang van; de heel slimmen komen er wel.

“Het opfokken van het kleuter- en basisonderwijs om daarmee de sociale ongelijkheid te bestrijden is voor een deel een progressieve mythologie. Je gaat er dan nog steeds van uit dat onderwijs dient om meer macht en inkomen te veroveren, dat onderwijs daarvoor een belangrijk breekijzer zou zijn. Dat is twijfelachtig.”

Onderwijs geen sleutel … ?

“Nee, dat is marginaal geknutsel. Het effect wat je boekt, in termen van bestrijding van machtsongelijkheid, door onderwijs te verbeteren is naar alle waarschijnlijkheid minder groot dan het effect wat je krijgt door meer mensen toe te laten in een of andere onderwijsvorm.”

Er zijn al kleuterscholen met een numerus fixus. Onze dochter . . .

“Mijn zoon ook. Het betekent alleen dat ik nu elke ochtend 20 km moet rijden, dat is tenslotte een te verwaarlozen ongemak. Hij kàn naar een kleuterschool.”

En als ze 18 zijn worden ze uitgeloot, ook al zijn onze kinderen misschien nog zo knap.

“Loting houdt het schandaal in leven, waarmee we opgescheept zitten: dat capaciteitsgebrek. In Amerika is 60 pct. van de leeftijdsgroep betrokken bij het tertiair onderwijs. Bij ons iets van 20, 25 pct.”


Tom de Greef – Martin Schouten

One thought on “Alle geslaagden zijn geschikt; Hofstee wedt op SES, 1974

  1. Pingback: Alle geslaagden zijn geschikt; Crombag verbindt (met een catch) 1974 | Fair schooling & assessment

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s